Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs

leeftocht vsko  
Toekomst SO inKleuren
 
 
 
 

VVKSO

Verslag van de vergadering van CODIS
dd. 9 januari 2001

Aanwezig

VVKSO   

De heren Boone, Schokkaert (punt 2) en Smits.

Directies   

De dames Claeys, Nelissen en Van Kerrebroeck.

De heren Brion, De Laet, De Lombaerde, Feys, Geukens, Le Leu, Nevens, Pouseele, Vandenbulcke, Van den Eynde, Vandeput, Vanderstappen, Vandeveire, Verelst en Vermeulen.

Verontschuldigd

Mevrouw Selleslagh
De heren Cauwelier, Demeire en Schodts

Verslaggeving

Mevrouw Deporte

Woord vooraf

"Men mag de CODIS-verslagen niet lezen als "Mededelingen" van het VVKSO. Zij zijn een zo getrouw mogelijke weergave van de meningen en standpunten van de directies. Op die manier bevatten CODIS-verslagen elementen die een opiniŽrende invloed kunnen uitoefenen, zowel naar het Bureau van het Verbond als naar externe instanties. De CODIS-verslagen bevatten ook steeds een reeks vragen en antwoorden, vaak heel precies geformuleerd, maar soms ook te lezen als momentopnamen."

* * *

0             Nieuwjaarswensen

De voorzitter wenst in naam van het hele Verbond de CODIS-leden een gelukkig nieuwjaar toe.
Hij meldt dat het voormalig CODIS-lid mevrouw Goethals onlangs is gestorven.

1             Goedkeuring en opvolging van het verslag (CODIS/V/00/09)

Het CODIS-verslag van 12 december 2000 staat sinds 4 januari 2001 op de website van het VVKSO. U surft naar www.vsko.be/vvkso.  Klik nu op Nieuw op deze site, vervolgens op Codis-verslag van 12 december 2000.

1.1          Goedkeuring van het verslag

De voorzitter merkt op dat bij de vermelding van de aanwezigen van het VVKSO, de heer Palmans niet in punt 4.4 maar in punt 4.6 aan bod kwam.

Bij deze keurt de vergadering het verslag goed.

1.2          Opvolging van het verslag

- Add. bij punt 1.2 - Brandstofprijzen

Een directeur stelt vast dat niet enkel de stookolieprijzen zijn gestegen maar ook de kostprijs van aardgas. In november 1999 bedroeg de prijs 15,7 BEF terwijl in november 2000 een bedrag van 26,7 BEF werd genoteerd; dit is een stijging van 70 %. Hoewel voor de betrokken directeur het aardgasverbruik in november 1999 (84241 m≥) hoger lag dan in november 2000 (80232 m≥), is zijn aardgasrekening wel met 58 % gestegen.

N.V.D.R..: Wie meer informatie wenst over de evolutie van de brandstofprijzen, kan de website van Test-Aankoop raadplegen. In het Test-Aankoopnummer 438 van november 2000, toont een artikel over "Zuinig omspringen met energie" een grafiek die de evolutie van en de prijsverhoudingen tussen de verschillende brandstoffen verduidelijkt. U surft naar www.test-aankoop.be.  Klik op "Zoeken". Vul het woord "Brandstof" in en klik op "Zoeken". Klik vervolgens op "Test-Aankoop Editie 438, Zuinig omspringen met energie". Klik achtereenvolgens op "Volg de gids" en "De evolutie van de brandstofprijzen".

- Add. bij punt 1.2 - Inhoudelijke meerwaarde van de scholengemeenschappen

De voorzitter is fier op het resultaat van de werkgroep van CODIS inzake de inhoudelijke meerwaarde van de scholengemeenschappen. Hij hoopt dat de brochure "Samen bouwen aan de scholengemeenschap, Op weg naar plaatselijk kerk zijn" door alle onderwijsbetrokkenen grondig zal worden gelezen en nadien zal worden waargemaakt in de praktijk.

U vindt een exemplaar van deze brochure (Kl. 83.01, november 2000) in de zevende zending van de Mededelingen van 15 december 2000.

- Add. bij punt 1.2 - Vervoerskosten

Nieuwe omzendbrief: Protocol van gedeeltelijk akkoord vanwege het Verbond

In uitvoering van de sectorale sociale programmatie voor de jaren 1999 en 2000 van de sector "Onderwijs" van de Vlaamse Gemeenschap geldt nu dat de werkgever de vervoerskosten voor het openbaar vervoer naar en van het werk volledig ten laste neemt en dat er een fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer wordt toegekend.

Deze regelgeving ligt vervat in de ministeriŽle omzendbrief van 22 december 2000. U surft naar www.ond.vlaanderen.be.  Klik achtereenvolgens op Omzendbrieven, Personeel, Vervoerskosten en tot slot op 13AC/CR/JVM/js, 22-12-2000.

In het vorig CODIS-verslag werd gesignaleerd dat er een nieuwe uitgebreidere en efficiŽntere regeling inzake vervoerskosten zou komen.
Het Verbond heeft na de onderhandelingen inzake deze materie een Protocol van gedeeltelijk akkoord gegeven.

In de vroegere regeling werden de werkingsmiddelen verminderd door een voorafname om aan de vervoerskosten tegemoet te komen. Deze voorafname verminderde uiteraard het totaal beschikbare budget. Nu worden de vervoerskosten als een aparte allocatie in de begroting ingeschreven. Bovendien moesten de inrichtende machten deze kosten vooraf betalen door middel van de werkingstoelagen waarbij de eindafrekening pas gebeurde met de eerste schijf van het volgende schooljaar.
Nu de inrichtende machten met de nieuwe regeling tegemoetkomingen zullen betalen door middel van een voorschot op de middelen, is dit voor het Verbond een positieve zaak. Daarenboven worden de vervoerskosten van de personeelsleden vanaf 1 januari 2001 volledig terugbetaald.

Het Verbond betreurt echter dat de administratieve verwerking die deze nieuwe regeling vereist, een zoveelste bijkomende verzwaring van het takenpakket van de schooladministratie impliceert.
Naast de reeds bestaande aflevering van de vereiste fiscale attesten, dienen nu ook de erewoordverklaringen inzake fietsvergoeding administratief verwerkt te worden in de school. Bovendien dient men te controleren of het personeelslid het goedkoopste vervoersbewijs beschikbaar bij het gebruikte openbaar vervoermiddel, heeft gebruikt. De terugbetaling is immers beperkt tot de prijs van het goedkoopste vervoerbewijs. Dit betekent niet enkel dat men voor, bijvoorbeeld, het treinverkeer een vervoersbewijs van "tweede klas" dient te kopen, maar ook dient af te wegen of de aankoop van afzonderlijke biljetten, "tien-ritten-kaarten" enz. niet voordeliger is dan een abonnement of omgekeerd.
De juistheid van het traject en de gekozen formule zal worden nagegaan bij de controle door de verificateur aan de hand van de ingediende vervoerbewijzen. Hoewel een sanctie bij misbruiken niet expliciet wordt vermeld, zal er vermoedelijk wel een terugvordering worden gevraagd. De scholen doen er bijgevolg goed aan het "derdebetalerssysteem" door wanpraktijken niet onderuit te halen.

Als bijlage 1 bij dit verslag vindt u het bovenvermelde Protocol van gedeeltelijk akkoord.

Terugbetalingsregeling periode september-december 2000

De nieuwe regelgeving inzake vervoerskosten voorziet een specifieke terugbetalingsregeling voor de periode september-december 2000, waarop de "oude" regelgeving nog van toepassing is.
De onderwijsinstellingen en internaten dienen vůůr 28 februari 2001, op straffe van verval van het recht op terugbetaling, de verklaring van schuldvordering betreffende de tegemoetkoming in de vervoerskosten, in drie exemplaren, naar het departement onderwijs te sturen, meer bepaald naar: Administratie Secundair Onderwijs, Afdeling Beleidsvoorbereiding Secundaire Scholen, Hendrik Consciencegebouw, 2 C 20, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel.
Vůůr 30 juni 2001 zullen de verschuldigde bedragen voor de periode september-december 2000 aan de onderwijsinstellingen worden terugbetaald.

Door laattijdige aanvragen van terugbetaling van de vervoerskosten en door een onnauwkeurige invulling van de documenten, is in het verleden gebleken dat het Rekenhof de vervoerskosten niet aan de scholen terugbetaalde omwille van deze vormfouten.
Om dergelijke problemen in de toekomst te vermijden, zal in de negende zending van de Mededelingen, een mededeling worden opgenomen die extra de aandacht vestigt op de stiptheid en nauwkeurigheid van de aanvraag tot terugbetaling van de vervoerskosten.

N.V.D.R.: Bovenvermelde mededeling vindt u terug onder Kl. 92.07.06

- Add. bij punt 2 - Puntenenveloppe voor het ondersteunend personeel op niveau van de scholengemeenschap

In het vorig CODIS-verslag was er nog onduidelijkheid over de mate waarin de loonsverhogingsperikelen de besprekingen over het ondersteunend personeel zouden vertragen of opschorten.

Aangezien in het voorontwerp van MozaÔekdecreet deze puntenenveloppe niet wordt vermeld, kan men besluiten dat deze problematiek gekoppeld blijft aan de CAO-besprekingen.
In dit kader heeft de heer Smits vernomen van de heer Meert, afdelingshoofd van de Beleidsuitvoering Personeel Secundair Onderwijs, dat men het ondersteunend personeel in een apart decreet zal opnemen.

- Add. bij punt 4.1 - CODIS-leden versus coŲrdinerend directeurs

Als bijlage 4 bij het vorig CODIS-verslag werd de brief aangaande de participatie van coŲrdinerend en algemeen directeurs aan het beleid aan minister Vanderpoorten opgenomen.

Minister Vanderpoorten heeft in een brief hierop als volgt gereageerd.

"Geachte secretaris-generaal

Ik heb uw brief van 14 december 200 in goede orde ontvangen en met veel aandacht gelezen.

Uit de algemene teneur van de brief moet ik opmaken dat er mij intenties worden toegeschreven die helemaal niet in mijn bedoeling liggen.

Ik heb op de bijeenkomst met de algemeen directeurs en de coŲrdinerend directeurs van 14 november 2000 gezegd dat het moeilijk zou zijn om veel met de hele groep te vergaderen. Ik heb dan voorgesteld om frequenter met een kleine groep bijeen te komen om van gedachten te wisselen rond het onderwijsbeleid en/of concrete maatregelen. Niemand werd hierbij expliciet gevraagd zijn of haar kandidatuur te stellen. Mijn aanbod was geheel vrijblijvend. Ik vraag U dan ook het in de geest waarin het werd gedaan te willen interpreteren.

Met mijn vriendelijke groeten.

Hoogachtend

Marleen Vanderpoorten
Vlaams minister van Onderwijs en Vorming"

- Add. bij punt 5.2 - CODIS-vergadering op 13 maart 2001

Een directeur vroeg tijdens de vorige CODIS-vergadering aan de voorzitter of de CODIS-vergadering van 13 maart 2001 eventueel zou kunnen worden verschoven naar een andere datum. Op 13 maart 2001 vindt er een studiedag plaats georganiseerd door WIVO (Werkgroep Informatie en Vernieuwing Onderwijs) waar een groot deel van de CODIS-leden zullen aanwezig zijn alsook minister Vanderpoorten.

Nadat de voorzitter een aantal mogelijke andere data had voorgelegd aan de CODIS-leden, bleek dat er telkens iemand was die zich op die datum niet meer kon vrij maken. Bijgevolg besloot de voorzitter de CODIS-vergadering van 13 maart 2001 gewoon te laten doorgaan.

2             Weigering tot herinschrijving. Op zoek naar een concrete procedurele aanpak

De heer Schokkaert licht een gespreksnota toe. Ze is opgenomen als bijlage 2 bij dit verslag.

2.1          Aanleiding

Eind september heeft de rechtbank van eerste aanleg te Leuven het plaatselijk Vrij Technisch Instituut er in een kortgeding toe verplicht een leerling die het niet opnieuw had willen inschrijven, toch te integreren. Deze uitspraak heeft voor heel wat beroering gezorgd. Onmiddellijk kwamen er bij het Verbond vragen binnen naar eventuele bijsturing van het schoolreglement. Er is in het veld grote onzekerheid ontstaan over de te volgen procedures.

Het Verbond kan niet langer meer wachten om de scholen concrete procedurele aanbevelingen te bezorgen. Toch zijn er heel wat onbekenden:

- er moet nog een uitspraak ten gronde komen inzake "VTI Leuven";

- in haar visietekst "GeÔntegreerd gelijke kansenbeleid" kondigt Minister Vanderpoorten een decretaal initiatief aan i.v.m. inschrijvingsrecht en aanvaardingsplicht, dat ongetwijfeld ook repercussies zal hebben voor het weigeren van een herinschrijving. Momenteel kennen we de concretisering ervan niet;

- er is ook al een tijdje sprake van een nieuw leerlingenstatuut. Officieel zijn er geen teksten verspreid. Het "voorontwerp van decreet" dat de Vlaamse Scholierenkoepel voorstelt, is te lezen op de website van de VSKO. U surft naar http://www.vsknet.be.  U klikt achtereenvolgens op Adviezen en Persberichten, Het leerlingenstatuut (31/08/2000).

De heer Schokkaert wenst op dit ogenblik abstractie te maken van deze ontwikkelingen. De gespreksnota zoekt naar een pragmatische oplossing voor dit schooljaar, in afwachting van de uitkomst van deze dossiers.

De heer Schokkaert overloopt de gespreksnota.

2.2          Reacties van de CODIS-leden

2.2.1      Het begrip "onbetamelijkheid"

Een directeur stelt de vraag of er een juridische definitie bestaat van het begrip "onbetamelijkheid".

De heer Schokkaert verduidelijkt dat er bij de totstandkoming van het decreet basisonderwijs heel wat discussie is geweest over de draagwijdte van dit begrip tijdens het debat in het Vlaams Parlement. De Raad van State concludeerde dat allicht het Arbitragehof hierover zou oordelen. In een concreet arrest stelde dit hof later dat het gaat over criteria die de fundamentele rechten en vrijheden van leerlingen zouden schenden of die discriminerend zouden zijn, maar het expliciteert deze criteria niet: "Het komt de rechter toe daarop geval per geval toe te zien".

2.2.2      Juridisering van onderwijs

Een directeur is van mening dat door de inschrijving in een onderwijsinstelling, de leerling zich engageert inspanningen te leveren. Wanneer een leerling het contract met de onderwijsinstelling verzuimt na te leven, moet dit op zich een voldoende reden zijn om over te gaan tot de opstarting van een tuchtprocedure en eventueel te komen tot een definitieve uitsluiting. Worden de rollen in het huidig onderwijslandschap niet omgedraaid wanneer de rechten van de individuele leerling prioritair worden gesteld ten nadele van de rechten van de klasgroep? Een onderwijsinstelling wordt verondersteld ordentelijk onderwijs te verstrekken, een goede relatie op te bouwen met leerlingen en ouders. Is het dan niet onbetamelijk dat men in deze context dreigt te verglijden in een juridisering van onderwijs waarbij de rechter uitspraken doet en zodoende in de plaats komt van de klassenraad? Zonder reden een leerling uitsluiten, doet toch geen enkele school...
Bovendien zijn het vaak de beter begoede ouders die een juridische procedure wensen te starten tegen de school. Is dit geen vorm van ongelijke kansen tussen arme en rijke leerlingen, waarbij de rechten van rijke leerlingen meer worden verdedigd dan die van minder begoede leerlingen?
De directeur verwijst naar de tekst die het VVKSO n.a.v. de uitspraak in Leuven op zijn website heeft geplaatst: "Het Verbond heeft vragen bij dergelijke uitwassen van een voortschrijdende juridisering waarbij de formele aspecten van een beslissing alles gaan bepalen. Blijkbaar komt het er vandaag voor de scholen minder op aan zich pedagogisch inhoudelijk te kunnen verantwoorden dan juridisch gelijk te halen, en dit op een terrein waar juristen onderling wel eens van mening kunnen verschillen. Een pijnlijke vaststelling." Moet dit niet sterker worden benadrukt?
De heer Schokkaert erkent dit. Hij onderschrijft echter ook de conclusie van de voorzitter die vindt dat men in deze problematiek niet utopisch mag zijn: ook binnen het onderwijs ontkomt men niet aan de juridische maalstroom waarin onze hele maatschappij is verzeild geraakt. Bovendien bevestigt hij wel dat leerlingen nooit "zo maar" worden uitgesloten, maar wanneer de procedure zich beperkt tot een pure, niet-gemotiveerde melding via het rapport, kan men zich daar toch vragen bij stellen. En ook dit gebeurt soms nog...

Een directeur beseft dat de tendens tot juridisering breed maatschappelijk is ingebed. Hij vraagt zich echter af of men een moeilijke leerling niet onder druk kan zetten met een extra-contract. Bij overtreding hiervan kan men dan onmiddellijk overgaan tot een tuchtmaatregel, zonder een ellenlange procedure. De heer Schokkaert benadrukt dat het niet naleven van een dergelijke overeenkomst weliswaar kan leiden tot een tuchtmaatregel, maar dat deze wel steeds moet genomen worden met respect voor de rechten van de verdediging. Het mag geen middel zijn om een leerling later op het schooljaar zonder al te veel 'formaliteiten' definitief uit te kunnen sluiten. Een slotformule van een dergelijk contract kan hoogstens zijn dat "wanneer de leerling ťťn of meer van de afgesproken regels niet naleeft, de directie onmiddellijk de tuchtprocedure op gang zal brengen die kan leiden tot een tijdelijke of definitieve uitsluiting." Doorheen deze procedure zal dan het bewijs moeten worden geleverd dat aan bepaalde voorwaarden van het contract daadwerkelijk niet is voldaan.

2.2.3      Tijdelijke en definitieve uitsluiting

In de praktijk is het dikwijls zo dat men probleemleerlingen toch probeert tot het einde van het schooljaar in de onderwijsinstelling te houden. Hoewel opmerkingen aangaande de problemen worden geformuleerd in het rapport, krijgt de betrokken leerling tegelijkertijd heel veel kansen om zijn gedrag te verbeteren. Maar op deze manier bereikt men al gauw de datum van 1 februari waarna het moeilijker wordt om, wanneer het echt niet anders kan, een leerling naar een andere onderwijsinstelling te sturen. Ook de heer Schokkaert vindt dit een dilemma. Langs de ene kant pleit men voor maximale kansen voor elke leerling, voor het begeleiden van probleemgedrag door naar de onderliggende redenen te peilen en daarop in te spelen. Dit vergt inspanningen op (middel)lange termijn. Langs de andere kant hebben ook medeleerlingen en leraren recht op een optimale onderwijsleersituatie. Dit vraagt soms een onmiddellijk optreden. Valt na 1 februari dan toch de beslissing tot definitieve uitsluiting, dan krijgen ook scholen die aanvankelijk veel begeleidingsinspanningen hebben gedaan, toch het verwijt de tellingsdatum te hebben afgewacht.
Een directeur wenst te weten hoeveel uitsluitingen er zijn rond de datum van 1 februari, maar de heer Schokkaert kan daar op basis van zijn telefonische en schriftelijke contacten met de scholen geen concrete cijfers over geven. Het is niet uitgesloten dat het departement onderwijs deze vraag zou kunnen beantwoorden op basis van de opvolgingsprocedure van in- en uitschrijvingen die sedert 1 september 1999 in voege is. Binnen dit kader stelt de voorzitter vast dat er op 1 februari gewoonlijk wel meer leerlingen in de centra voor deeltijds onderwijs zijn ingeschreven dan bij het begin van het schooljaar.

Een directeur zegt dat in de maand mei aan probleemleerlingen vaak een tijdelijke uitsluiting uit de lessen als sanctie wordt opgelegd. De betrokken leerlingen kunnen dan wel nog deelnemen aan de examens. De heer Schokkaert weet dat dit soms in het belang van de leerling wordt toegepast. Het is belangrijk dit ook zo aan de ouders mee te delen. In principe kan men deze leerlingen op het einde van het schooljaar immers niet definitief uitsluiten, want men kan strikt juridisch bekeken geen twee straffen opleggen voor dezelfde feiten.

Een directeur ziet de procedure tot definitieve uitsluiting met ingang van 31 augustus alleen zitten wanneer het advies van de klassenraad tijdens de deliberatie kan worden uitgebracht. De heer Schokkaert ziet daar geen probleem in. Samenstelling van begeleidende en delibererende klassenraad is immers identiek. Wel mag men de studiebeoordeling niet laten beÔnvloeden door de disciplinaire procedure, noch omgekeerd. Men werkt ook op basis van twee verschillende dossiers: een dossier leerlingbegeleiding en -studiebeoordeling (op basis waarvan de deliberatieuitspraak valt) en een tuchtdossier waarin straks het tuchtadvies (geen tuchtbeslissing) van de klassenraad wordt opgenomen. Deze aanpak zorgt ervoor dat een tweede vergadering van de klassenraad z.i. overbodig is.

2.2.4      Datum ingang weigering tot herinschrijving

Op basis van dit gegeven meent een directeur dat het realistischer en eerlijker zou zijn om de weigering tot herinschrijving wegens disciplinaire redenenen te laten ingaan op 1 juli i.p.v. op 31 augustus. Anders kan het eventueel beroep pas in september worden behandeld, zodat de ouders en de leerling te lang in het ongewisse blijven. De heer Schokkaert zegt dat men gekozen heeft voor 31 augustus omdat dit de officiŽle einddatum is van een schooljaar. Omdat de beroepscommissie moet samenkomen uiterlijk vijf werkdagen nadat het beroep van de ouders en de leerling is toegekomen, speelt ook het argument van het laattijdig beroep niet. Deze dwingende termijn is precies een van de moeilijkheden van de (nieuwe) optie om de weigering tot herinschrijving te benaderen als een definitieve uitsluiting. Deze opmerking zal nader worden onderzocht.

2.2.5      Weigering tot herinschrijving om niet-disciplinaire reden

Sommige CODIS-leden vinden dat leerlingen weigeren op basis van pedagogische argumenten, behoort tot de bevoegdheid van de inrichtende macht en dat hiervoor geen expliciete procedure nodig is. Belangrijk is dan dat binnen eenzelfde scholengemeenschap op dezelfde wijze wordt gehandeld.

2.2.6      Conclusie

De voorzitter concludeert uit de opmerkingen van de CODIS-leden dat zij akkoord zijn met het voorstel om in de toekomst bij weigering tot herinschrijving om disciplinaire redenen de tuchtprocedure toe te passen. Indien het gaat om andere dan disciplinaire redenen kan men zich beperken tot het motiveren van de beslissing, met eventuele verwijzing voor beroep naar de inrichtende macht.

De voorzitter zegt dat een bespreking ten gronde van de aanvaardingsplicht, zoals beschreven in de nota Visietekst, GeÔntegreerd gelijke kansenbeleid van minister Vanderpoorten, in de toekomst zeker moet gebeuren. Hij spoort nogmaals iedereen aan deze nota aandachtig te lezen. Zoals reeds eerder vermeld, kan u deze nota downloaden indien u surft naar http://www.ond.vlaanderen.be en achtereenvolgens klikt op Laatste berichten en nieuwe sites, Visietekst, GeÔntegreerd gelijke kansenbeleid.

De voorzitter onderscheidt twee kernpunten in deze nota.

- Elke leerling (ook buitengewoon en inclusief onderwijs) heeft het recht om zich in te schrijven in de school van keuze. Dit wordt als een fundamenteel recht beschouwd. Uitzonderingen hierop zijn o.a. ontoereikende materiŽle omstandigheden (veiligheid) of het niet-onderschrijven van het pedagogisch project van de school. Een weigering tot inschrijving zal schriftelijk aan de ouders moeten worden gemotiveerd (objectieve redenen). Er zou een externe (!) beroepsprocedure komen, oorspronkelijk binnen een lokaal overleg, uiteindelijk bij een op Vlaams niveau gesitueerde commissie (naar analogie met de Commissie Laakbare Praktijken). Wanneer de school niet ingaat op het verzoek van deze commissie, kan de Minister van Onderwijs, op advies van deze commissie de school sanctioneren via de werkingsmiddelen. De minister wenst het inschrijvingsrecht van de leerling en de daaraan gekoppelde aanvaardingsplicht van de school te regelen in een decreet betreffende de rechtsbescherming van ouders en leerlingen.

- Bovendien beoogt de minister een nieuw model van ondersteuning voor de scholen met de grootste noden inzake onderwijsvoorrang, kansarmoede... Hierbij duikt het probleem op dat de huidige definities van doelgroepleerlingen (b.v. SIF-leerlingen) en in aanmerking komende leerlingen zeer verschillend zijn. Om tot ťťn omschrijving te komen van doelgroepleerling zijn objectieve parameters nodig. De voorzitter vermoedt dat CODIS-leden die in hun regio met deze problematiek worden geconfronteerd, deze nota met een nog grotere aandacht zullen lezen.

Het is de bedoeling dat de teneur inzake inschrijvingsrecht en aanvaardingsplicht tijdens een volgende CODIS-vergadering wordt toegelicht en besproken.

3             Vervangingspool

De heer Smits licht het document toe dat als bijlage 1 bij het vorig CODIS-verslag van 12 december 2000 werd opgenomen. Het betreft een nota waarin de doelstellingen van de vervangingspool, de principiŽle en technische knelpunten van de vervangingspool alsook een 6-tal mogelijkheden ter verbetering van de vervangingspool zijn opgenomen.

Deze zes mogelijkheden of voorstellen werden ter beoordeling aan de coŲrdinerend directeurs en aan de voorzitters van de scholengemeenschappen voorgelegd; ook de CODIS-leden kunnen scores toekennen
Het resultaat van deze bevragingen zal aantonen welk standpunt het Verbond dient in te nemen t.a.v. de vervangingspool. Tegen 17 januari 2001 moet de voorzitter van de begeleidingscommissie van de vervangingspool, de heer Meert, de standpunten van de verschillende geledingen kennen. Het is de bedoeling dat op 25 januari 2001 tijdens een vergadering van de begeleidingscommissie de vervangingspool definitief wordt geŽvalueerd.
Nadien zullen de onderhandelingen starten in het Overkoepelend Onderhandelingscomitť (OOC) die moeten resulteren in een aantal wijzigingen aan het decreet "vervangingspool".

3.1          Verslaggeving van de vergadering met de coŲrdinerend directeurs

Op 13 december 2000 had in de Montil in Essene-Ternat een vergadering plaats van alle coŲrdinerend directeurs van het katholiek onderwijs. Er was een maximale opkomst en de bijeenkomst was zeer boeiend en constructief. De beoordeling van de vervangingspool was een van de belangrijkste agendapunten.

3.1.1      Resultaat van de bevraging

Er werden 74 beoordelingsformulieren geteld. Elk voorstel kon maximum (=100 %) 740 punten toegekend krijgen; de maximumscore was immers 10 punten per voorstel.

Voorstel 1 (afwijzing van de vervangingspool en oprichting van eigen databank) behaalde 77 % van het maximum aantal punten. Voorstel 2 (vervangingsenveloppe voor iedere scholengemeenschap) kreeg 61 % van het maximum aantal punten. Voorstel 3 (principiŽle en technische aanpassingen aan de huidige vervangingspool) behaalde 31 % van het maximum aantal punten. De percentages van de overige voorstellen zijn verwaarloosbaar.

3.1.2      Analyse van het resultaat

De punten voor voorstel 1 werden hoofdzakelijk toegekend door de drie niet-deelnemende bisdommen (Brugge, Gent en Antwerpen). Terwijl 92 % van de punten van deze bisdommen aan voorstel 1 werden gegeven, ging voor het bisdom Hasselt 43 % van de punten naar dit voorstel en voor het aartsbisdom Mechelen-Brussel 60 %.

Alle bisdommen gaven ongeveer 60 % van de punten aan voorstel 2.

Op basis van deze cijfers en in de wetenschap dat de percentages in alle bisdommen nagenoeg gelijklopend zijn, zou men kunnen concluderen dat voorstel 2 voor elk bisdom verdedigbaar is.
Het is duidelijk dat bisdom Hasselt kiest voor voorstel 3 dat 71 % van haar punten kreeg. Aartsbisdom Mechelen-Brussel gaf aan dit voorstel 54 % van haar punten. De deelnemende bisdommen verwerpen bijgevolg niet zonder meer de vervangingspool.

Men dient bij deze analyse rekening te houden met het feit dat dit een eerste consultatieronde betreft waarbij de coŲrdinerend directeurs eerder hun persoonlijke stem hebben uitgebracht aangezien zij in de onmogelijkheid waren het document vooraf aan de scholengemeenschap voor te leggen.

3.2          Verslaggeving van de vergadering met de voorzitters van de scholengemeenschappen

Op 8 januari 2001 had in Antwerpen een vergadering plaats van de voorzitters van de scholengemeenschappen. In tegenstelling tot de vergadering van de coŲrdinerend directeurs, was de opkomst eerder beperkt: 30 van de 74 voorzitters waren aanwezig. De beoordeling van de vervangingspool was ook hier een belangrijk agendapunt.

3.2.1      Resultaat van de bevraging

Voorstel 1 (afwijzing van de vervangingspool en oprichting van eigen databank) behaalde 77 % van het maximum aantal punten. Voorstel 2 (vervangingsenveloppe voor iedere scholengemeenschap) kreeg 38 % van het maximum aantal punten.

Als bijlage 3 bij dit verslag vindt u de resultaten van enerzijds de bevraging van de voorzitters van de scholengemeenschap en anderzijds de bevraging van de CODIS-leden.

3.2.2      Analyse van het resultaat

De voorzitter betreurt de geringe opkomst van de voorzitters en stelt zich de vraag of het resultaat van de bevraging wel als voldoende representatief kan worden beschouwd. Men kan stellen dat het resultaat van deze bevraging grosso modo overeenkomt met het resultaat van de bevraging van de coŲrdinerend directeurs. Toch dient men hier onder de aandacht te brengen dat de vervangingsenveloppe (voorstel 2) in tegenstelling tot de coŲrdinerend directeurs minder hoog scoort. Deze lage score is vooral te wijten aan de angst voor de juridische consequenties bij fouten wanneer de scholengemeenschap de enveloppe zelf beheert.

3.3          Standpunt van CODIS

3.3.1      Algemene evaluatie van het resultaat

De voorzitter is aangenaam verrast over het feit dat de voorstellen 4 en 6, die enkel technische aanpassingen wensen aan te brengen aan het huidige systeem van de vervangingspool, nagenoeg geen punten hebben gekregen. Hieruit leidt hij een belangrijk standpunt van de bevraagden af. Het is een duidelijke indicatie dat onze onderwijsinstellingen het belang van de principiŽle wijzigingen prioritair stellen. Dit betekent dat directies en inrichtende machten van het katholiek onderwijs niet willen instappen in de pool wanneer er enkel technische wijzigingen worden aangebracht.

Rekening houdend met het resultaat van de bevraging stelt de voorzitter de vraag aan de CODIS-leden of zij akkoord gaan met het volgende.

Het Verbond trekt naar de besprekingen en de onderhandelingen met de voorstellen 2 en 3, niettegenstaande dat de rekenkundige meerderheid gekozen heeft voor mogelijkheid 1. De voorzitter is van mening dat het Verbond vanuit strategisch oogpunt niet in de besprekingen en onderhandelingen kan stappen met voorstel 1 omdat dit het voorwerp van bespreking en onderhandeling reeds volledig verwerpt. Het Verbond zal bekend maken dat de vervangingspool door de meerderheid wordt afgevoerd maar dat zij desondanks wel bereid is om de voorstellen 2 en 3 te bespreken.
Na consultatie van de achterban over het resultaat van de besprekingen en de onderhandelingen, zal het Verbond een definitief standpunt innemen dat door iedereen wordt gedeeld. De voorzitter benadrukt dat het geenszins de bedoeling is dat er opnieuw verdeeldheid ontstaat tussen de bisdommen ten aanzien van de vervangingspool. Bovendien zullen zowel het basis- als het buitengewoon onderwijs samen met het secundair onderwijs tot eenzelfde standpunt trachten te komen. Het ligt moeilijk dat eenzelfde inrichtende macht die zowel buitengewoon als basis- en secundair onderwijs organiseert, voor ieder onderwijsniveau een verschillende houding inzake de vervangingspool dient aan te nemen.

3.3.2      Reacties van de CODIS-leden

3.3.2.1   Haalbaarheid

Een aantal directeurs stellen zich de vraag of het wel opportuun is om met twee voorstellen (mogelijkheden 2 en 3) naar de besprekingen en onderhandelingen te gaan. Zal een dergelijke strategie niet vlug resulteren in een herleiding tot ťťn voorstel, met name voorstel 3.
Op lange termijn is de keuze van voorstel 2 het meest aangewezen. Indien men tot volwaardige scholengemeenschappen wenst te komen, dient men steeds de verantwoordelijkheid inzake een autonoom personeelsbeleid toe te wijzen aan de scholengemeenschap in de hoedanigheid van werkgever. Op 1 september 2001zullen nog niet alle scholengemeenschappen klaar zijn voor het principe van een vervangingsenveloppe op niveau van de scholengemeenschap.
Het lijkt daarom verstandiger om voorstel 2 enkel te vermelden als doelstelling op lange termijn, maar de principiŽle en technische aanpassingen van voorstel 3 als gespreks- en onderhandelingsmaterie te gebruiken.

3.3.2.2   Minimumvoorwaarden

Het feit dat de meerderheid van de stemmen kiest voor voorstel 1 maar dat het Verbond toch wenst te praten op basis van voorstel 3, verontrust een aantal directeurs. Betekent dit dat er over de principes van voorstel 3 nog compromissen zullen moeten worden gesloten?

De voorzitter is formeel en verduidelijkt dat de principiŽle aanpassingen zoals vermeld in voorstel 3 minimumvoorwaarden zijn die niet kunnen worden afgezwakt. Voorstel 3 is een vertrekbasis, een platform waarbij aanvullende wijzigingen kunnen komen.

3.3.2.3   Standpunt onderwijsbetrokkenen

De CODIS-leden wensen het standpunt van de overige onderwijsniveaus alsook dat van de overige netten te kennen. Menig directeur heeft ook ervaren in het OCSG (Onderhandelingscomitť van de scholengemeenschap) dat de COC het huidig systeem van de vervangingspool goedkeurt.

Het standpunt van het buitengewoon onderwijs is nog niet bekend maar dat van het basisonderwijs is tot op heden nog steeds een volledige afwijzing van de vervangingspool (voorstel 1).
Het gemeenschapsonderwijs heeft (per definitie) geen principiŽle bezwaren en lijkt bereid, mits een aantal technische wijzigingen, de vervangingspool te steunen. Voorlopig hebben de vertegenwoordigers van het gesubsidieerd officieel onderwijs nog geen mening bekend gemaakt.

N.V.D.R.: Naar aanleiding van de evaluatievergadering van de begeleidingscommissie lijken alle geledingen, met uitzondering van het VSKO, met de vervangingspool verder te willen gaan indien er technische verbeteringen worden aangebracht.

De voorzitter is enigszins verbaasd te horen dat de COC voorstander is van de huidige vervangingspool. Sinds oktober 2000 heeft hij vanwege de COC-vertegenwoordigers geen enkele positieve uitspraak over de vervangingspool meer gehoord.

3.3.2.4   Meerderheidsprincipe

Een andere directeur wenst te weten of de situatie van de deelnemende scholen wel degelijk zo veel is verbeterd tegenover vroeger. Bestaat hierover een bevraging? Sommige directeurs hebben weet van scholengemeenschappen die ervaring hebben met de vervangingspool en waarbij de meningen toch intern verdeeld zijn. Voor niet-deelnemende scholen is de situatie voor het vinden van een vervanger even moeilijk gebleven in vergelijking met de vorige schooljaren.
Moet men niet teruggaan naar de doelstellingen van de vervangingspool namelijk de aantrekkelijkheid van onderwijs verhogen door het principe van werkzekerheid en een oplossing vinden voor de malaise inzake interims? Deze beide aspecten kunnen even goed worden gegarandeerd door voor het katholiek onderwijs op niveau van de scholengemeenschap of het bisdom of op niveau van heel Vlaanderen, een eigen databank op te richten. Een goede databank houdt immers in dat de opgenomen leraars nagenoeg doorlopend in niet-vacante betrekkingen aan het werk zullen zijn. Het stappenplan dat nu door deelnemende scholen moet worden gevolgd, zou dan overbodig worden en een eigen personeelsbeleid zonder overheidsinmenging zou dan mogelijk worden. Men mag niet over het hoofd zien dat de werkdruk op het schoolsecretariaat reeds door de besparingsmaatregelen gevoelig is toegenomen en de "flexibiliteit" van het personeel door de administratieve beslommeringen van de vervangingspool nog eens extra wordt aangesproken.

Een directeur twijfelt of voorstel 3 integraal zal worden aanvaard tijdens de onderhandelingen. Zal de overheid bereid zijn om, bijvoorbeeld, de opdracht van de in onderwijsreglementering onkundige VDAB af te schaffen of zal zij de VDAB tegen 1 september 2001 kunnen klaar stomen inzake onderwijsregelgeving?
Indien er naast technische ook principiŽle aanpassingen zijn, zal de overheid een groot deel van zijn greep op de aanwerving verliezen; wat is dan nog het verschil met de vroegere situatie zonder een vervangingspool? Daarom lijkt (met het huidig politiek onderwijslandschap) voorstel 3 een niet haalbare piste.

Een directeur interpreteert het resultaat (77 %) van de meerderheid als volgt. De stem van de meerderheid is hier een "politieke" meerderheid en kan bezwaarlijk democratisch worden genoemd. Men kan slechts van een democratische meerderheid spreken indien er over de problematiek kan worden gesproken, indien er overleg mogelijk is. Het lijkt daarom aangewezen om een onderscheid te maken tussen enerzijds de mening van de bisdommen die niet in de vervangingspool zijn gestapt, en anderzijds de bisdommen die dit wel hebben gedaan. Zodoende wordt het duidelijk dat de meerderheid van diegenen die hebben deelgenomen aan de vervangingspool, wel verder wenst te gaan mits principiŽle en technische aanpassingen.

Het zou daarenboven onverstandig zijn om zelf energie ťn middelen te stoppen in een eigen databank, terwijl de andere netten genieten van de dienstverlening die een aangepaste vervangingspool zal bieden met het voorziene budget van de overheid.

3.3.2.5   Eenheid van standpunt

Een directeur vraagt of het resultaat van de onderhandelingen betreffende de vervangingspool algemeen bindend moet zijn voor alle scholen?

De voorzitter herhaalt dat hij absoluut niet wenst te komen tot de huidige situatie van verdeeldheid waarbij er deelnemende en niet-deelnemende scholen zijn. Het is niet omdat bepaalde scholengemeenschappen/bisdommen een afwijkend standpunt innemen, dat men niet tot ťťn standpunt voor het katholiek onderwijs kan komen. Een directeur merkt op dat de verdeeldheid tussen de scholen van het vrije net moet worden gestopt omdat dit leidt tot een verschillende dynamiek. Indien deze dynamiek zich verder ontwikkelt, wordt de stap terug steeds moeilijker.
De voornaamste opdracht bij de evaluatie van de vervangingspool was voor het Verbond om tijdig alle betrokkenen te consulteren en te luisteren naar hun ervaringen. Op basis van deze ervaringen heeft het Verbond vastgesteld dat de wijze waarop de pool wordt gebruikt zeer verschillend is. Sommige gebruikers trachten via achterpoortjes in het systeem tot een bevredigend resultaat te komen. In het basisonderwijs wordt de invulling van een voltijdse opdracht door twee halftijdse vervangers niet aanvaard.
De voorzitter heeft bovendien bedenkingen bij het feit dat niet-deelnemende scholen plots geen problemen meer zouden ervaren bij het vinden van een interimaris.
De voorzitter gelooft in de kansen van een aangepast vervangingspoolsysteem; de garantie van de wedde en het feit dat de inrichtende macht een schooljaar de tijd krijgt om het nieuwe personeelslid te observeren, mogen niet zo maar worden opgeblazen door de keuze voor voorstel 1.

3.4          Conclusie van de vergadering

De vergadering van CODIS maakt de volgende conclusie.

Het VSKO/VVKSO maakt de overheid duidelijk dat het overgrote merendeel de vervangingspool afwijst, maar dat het bereid is om te onderhandelen.
De vervangingsenveloppe is op lange termijn de beste piste, maar op dit moment zijn de scholengemeenschappen hier nog niet aan toe.
Voorstel 3, dat als een absoluut minimum geldt, kan tijdens de onderhandelingen worden verdedigd.
Na de onderhandelingen consulteert het VVKSO de basis over het aangepaste voorstel, waarna een definitief standpunt wordt ingenomen.

4             Varia

4.1          Mandaatsvergoeding algemeen directeur

Een directeur stelt de vraag naar de stand van zaken betreffende de berekeningswijze van de algemeen directeur bij inrichtende machten die ontstaan zijn op 1 september 2000.

In het CODIS-verslag van 10 oktober 2000 werd als bijlage 1 het voorstel van het Verbond aan de minister opgenomen. Dit voorstel houdt in om bij een herstructurering van inrichtende machten de toelage vanaf 1 september van het oprichtingsjaar aan de nieuwe inrichtende macht toe te kennen naar analogie met de berekening van de omkadering en de werkingstoelagen. De huidige regelgeving voorziet een dergelijke toelage pas een schooljaar later omdat de referentiedatum op 1 februari van het voorgaande schooljaar is vastgesteld en op dat ogenblik de nieuwe inrichtende macht nog niet bestond.

Aangezien hiertoe een decretale wijziging noodzakelijk is, stelde het VVKSO aan de minister voor deze regeling op te nemen in het MozaÔekdecreet.
Omdat het Verbond het voorontwerp van MozaÔekdecreet vlak voor de CODIS-vergadering heeft ontvangen, kan er tijdens de vergadering nog geen uitspraak worden gedaan over de inhoud ervan.

N.V.D.R.: In hoofdstuk IX van het voorontwerp van onderwijsdecreet XIII (MozaÔekdecreet) wijzigt artikel 36 het artikel 44 quaterdecies van het decreet rechtspositie. Dit artikel regelt het mandaat van algemeen directeur. De wijziging van dit artikel betreft aanpassingen aan '1 en '2 en een toevoeging van '3: " '1 wordt vervangen door: "De inrichtende macht kan een directeur van een instelling belasten met de taak van algemeen directeur voor de totaliteit van haar instellingen"; in '2 worden de woorden "toelage" en "jaar" vervangen door respectievelijk de woorden "bijwedde" en "schooljaar"; '3 luidt: "In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden.".
Op gelijkaardige wijze past artikel 37 van hoofdstuk IX het artikel 44 quinquiesdecies van het decreet rechtspositie aan. Dit artikel regelt het mandaat van coŲrdinerend directeur. Hier wordt '2 gewijzigd en een '3 toegevoegd conform de aanpassingen van artikel 44 quaterdecies van het decreet rechtspositie.

4.2          Nieuwe stakingsaanzegging: standpunt Verbond

Een directeur drukt in naam van DIVO de wens uit dat het Verbond voorstander blijft van een selectieve loonsverhoging voor directieleden en werkdrukvermindering door creatie van een, bij voorkeur organiek, middenkader.

De voorzitter meldt dat ook deze keer het Verbond de staking zal steunen. Het pleit tevens voor een werkdrukverlaging via een extra middenkader en voor de wegwerking van de reeds eerder vermelde anomalieŽn:

- een adjunct-directeur met een bekwaamheidsbewijs HOKT wordt bezoldigd op basis van weddenschaal 312 wat minder is dan de personeelsleden waarover hij of zij de leiding heeft;
- een ingenieur met een bekwaamheidsbewijs HOLT of en licentiaat wordt bezoldigd op basis van weddenschaal 501 voor technische vakken en op basis van wedenschaal 302 voor praktische vakken;
- een technisch adviseur met een bekwaamheidsbewijs HOLT wordt bezoldigd op basis van weddenschaal 257 wat minder is dan weddenschaal 501 die hij of zij zou genieten als leraar;
- een technisch adviseur-coŲrdinator met een bekwaamheidsbewijs HOLT heeft recht op weddenschaal 501; een gelijkschakeling met de weddenschaal van adjunct-directeur (502) zou hier gerechtvaardigd zijn;
- een lid van het ondersteunend personeel met de weddenschaal 106 die verantwoordelijk is voor de personeelsadministratie en waarbij de loonspanning tussen deze weddenschaal en de weddenschaal van de opvoeder/administratief medewerker met de weddenschaal 158 zeer klein is geworden.

Naast deze "evidente" anomalieŽn is er het spanningsveld tussen de wedden van bestuursambten en de ambten van het onderwijzend personeel; er is tevens de vraag naar de verloning van bepaalde preventieadviseurs, ICT-coŲrdinatoren, en dergelijke.

4.3          Humane wetenschappen/Menswetenschappen-moderne talen

Door het verder uitstel van de reductie-operatie in het ASO blijft Menswetenschappen-moderne talen nog ťťn jaar langer een S-studierichting. De programmatie van het eerste leerjaar van de tweede graad ASO Humane wetenschappen is pas mogelijk op 1 september 2002.

Het Permanent Bureau van het VVKSO besloot op 14 december 2000 om toch het nieuwe leerplan Humane wetenschappen in te voeren onder de oude benaming Menswetenschappen-moderne talen.
Onder Kl. 50.03 is de mededeling "Nieuwe Leerplannen op 1 september 2001" van 2 januari 2001 opgenomen. Deze mededeling verduidelijkt de beslissing van het Permanent Bureau van het VVKSO.

De voorzitter licht toe dat het Verbond de scholen aanraadt de aanvraag tot programmatie van Humane wetenschappen te actualiseren. De scholengemeenschap dient hiervoor een gewone brief aan mevrouw Debolle te richten en deze brief vůůr 12 januari 2001 aan de heer Deboutte te sturen. De heer Deboutte zal alle brieven verzamelen en met een begeleidend schrijven van het VVKSO aan het departement onderwijs afgeven. De betrokken scholen zijn hiervan reeds schriftelijk op de hoogte gebracht door het Verbond.

Aangezien het besluit betreffende de bekwaamheidsbewijzen nog niet is aangepast, zal het nieuwe leerplan gegeven worden onder de vakbenamingen AV Psychologie/AV Sociologie/ AV Media. Door toepassing van de schuine streep kan de directeur de keuze maken voor ťťn van de drie bovenvermelde vakken.

4.4          Stand-still-verplichting

Een directeur meent dat in het voorontwerp van MozaÔekdecreet (Onderwijsdecreet XIII) de stand-still-verplichting wordt ingevoegd.

Het begrip stand-still-verplichting is reeds eerder toegelicht tijdens een vorige CODIS-vergadering. Dit is ťťn van de verscheidene doelstellingen uit de beleidsnota 1999-2004 van minister Vanderpoorten waarmee wordt bedoeld dat de kosten die worden doorgerekend aan de ouders, niet meer mogen stijgen. De stand-still-verplichting is een vertaling van de kosteloosheid op niveau van het secundair onderwijs.
Hoewel de grondwet enkel spreekt van kosteloze toegang, streeft men in het basisonderwijs naar kosteloosheid (cf. extra-middelen voor schoolzwemmen). Toch dienen ook hier de ouders nog te betalen voor b.v. deelname aan bosklassen, kleding, ...
Het secundair onderwijs keurt deze stand-still-verplichting niet af op voorwaarde dat de overheid de gevolgen van o.a. de federale regelgeving (b.v. arbeidsgeneeskundig onderzoek, preventiemaatregelen enz.) op zich neemt.

Tijdens een volgende vergadering wordt deze problematiek verder besproken.

N.V.D.R.: Onder hoofdstuk IV "Zorgvuldig bestuur" van het voorontwerp van Onderwijsdecreet XIII, bepaalt artikel 15 dat de "Commissie zorgvuldig bestuur" adviesbevoegdheid krijgt over klachten van belanghebbenden inzake o.a. de internationaalrechterlijke beginselen inzake kosteloosheid van het onderwijs.

5             Volgende vergadering

De volgende vergadering zal plaatsvinden op 13 februari 2001 in de lokalen van het Interdiocesaan Centrum van 14.00 uur tot 17.30 uur.