 | Leidraad leerplannen |
Printbare versie alles dichtklappen
Voor je aan het lezen gaat, willen we je rechtstreeks aanspreken. Voor ons is zo’n directe aanspreking niet enkel een manier om je vanaf de eerste regel mee te nemen. We hebben meer ambitie.
Zo mikken we met deze leidraad voor leerplannen namelijk op een bijzonder talrijke groep. Schooldirecties, middenkaderleden en leraren rekenen we bij onze doelgroep.
Dat we dit document leidraad noemen, is evenmin een lukrake vondst. Van Dale suggereert er als synoniem ‘hulpmiddel’, ‘richtsnoer’, ’beknopte handleiding’ voor. Met deze leidraad willen we onze scholen helpen, meer nog sensibiliseren voor een sterkere verankering van leerplannen. Het VVKSO maakt immers, vanuit haar dienstverlenende opdracht, leerplannen voor scholen. Eenmaal in de scholen leiden leerplannen echter een vreemd bestaan. Ze zijn een onmisbaar werkdocument. Leraren maken er dankbaar gebruik van bij het uitwerken van lesactiviteiten, bij de jaar- of graadplanning, bij vakgroepwerking. Leerplannen verzekeren bovendien dat bij de realisatie van doelstellingen eindtermen behaald worden of ontwikkelingsdoelen nagestreefd. Maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat leerplannen nog té weinig aangesproken worden op hun meerwaarde.
We willen vooral inspireren om nog meer dan voorheen op creatieve én verantwoorde wijze het leerplan te gebruiken. Dat kunnen we enerzijds door correcte informatie af te leveren. Daarnaast – en met respect voor de autonomie van schooldirecties, middenkaderleden en leraren – nemen we een aantal vrijblijvende suggesties op voor een meer doorgrond gebruik van het leerplan.
We zien deze leidraad als een werkdocument voor schooldirecties, middenkaderleden én voor leraren. Daarom vinden we het belangrijk er veel en goede informatie in op te nemen. Het is echter nooit onze bedoeling geweest om een bonte mengeling van gegevens op je los te laten. Dus hebben we gezocht naar een structuur die zowel leescomfort als directe toepassing in de school of de klas ondersteunt.
We hebben er ook een punt van gemaakt om een breed bruikbaar werkdocument af te leveren. Om dit evenwicht te bewaken is gekozen voor een basistekst, zonder voetnoten als bijlagen. Tekstdelen in het oranje, kunnen met een klik op de muis aanvullende informatie oproepen.
We hopen dat je je nu voldoende uitgedaagd weet om deze handleiding vaak te gebruiken.
VEEL GESTELDE VRAGEN
1 Ontstaan van leerplannen
In de grondwet is de vrijheid van onderwijs ingeschreven. Die geeft inrichtende machten het recht om zelf de geest en de inhoud van het onderwijs te bepalen. Ze kunnen dus zelf de lessentabel, leerplannen en pedagogisch-didactische methodes kiezen. Daarnaast zijn er leermiddelen, (specifieke) eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Maar waarom maakt het VVKSO dan leerplannen voor scholen?
In het katholiek onderwijs werden het ontwerp, de bijsturing, aanpassing en actualisatie van lessentabellen en leerplannen toevertrouwd aan de
Verbonden. De
Dienst leren en onderwijzen van het VVKSO concretiseert deze opdracht.
Dat het VVKSO die opdracht heeft, is belangrijk. Het katholiek onderwijs streeft immers de vorming van de totale persoon na, waarbij het christelijk mensbeeld centraal staat.
De school moet voor elk vak uit de
basisvorming en/of het
specifiek gedeelte kunnen aangeven welk leerplan gevolgd wordt. De inspectie zal bij een doorlichting immers nagaan of in de school het goedgekeurde leerplan wordt gerealiseerd. De subsidiëring en dus ook de erkenning, kortom de bestaansvoorwaarden van de school zijn daarvan afhankelijk.
Daarnaast engageert het VVKSO zich om voor de suggesties voor vakken in het
complementaire gedeelte van de lessentabel te voorzien in een leerplan. Die leerplannen hoeven niet ter goedkeuring aan de inspectie worden voorgelegd.
In dit verband willen we erop wijzen dat de keuze van een leerboek de leraar niet ontslaat van de verplichting om een goedgekeurd leerplan te gebruiken. Integendeel, waar een leerboek een hulpmiddel kan zijn (bijvoorbeeld voor beginnende leraren of omdat het inspirerende inhouden met verantwoorde werk- en evaluatievormen aanreikt), is het leerplan de enige waarborg om te voldoen aan de regelgeving van de overheid die de regelgeving in verband met (specifieke) eindtermen en ontwikkelingsdoelen bewaakt.
De school moet voor elk vak uit de
basisvorming en/of het
specifiek gedeelte kunnen aangeven welk leerplan gevolgd wordt. De inspectie zal immers bij een doorlichting nagaan of in de school het goedgekeurde leerplan wordt gerealiseerd. De subsidiëring en dus ook de erkenning, kortom de bestaansvoorwaarden van de school zijn daarvan afhankelijk.
Elk schooljaar worden gemiddeld 70 leerplannen geactualiseerd. Dat betekent dat ze ofwel volledig vernieuwd ofwel deels gewijzigd worden.
Nieuwe beleidsmaatregelen, een nieuwe pedagogisch-didactische visie, nieuwe technologische ontwikkelingen, nieuwe studierichtingen… kunnen de reden zijn voor de actualisatie van leerplannen.
Zo werden recent leerplannen herwerkt of volledig vernieuwd door:
- de aanpassing van studierichtingsprofielen;
- bevraging en/of reacties vanuit het veld;
- de specifieke eindtermen ;
- een vernieuwde visie op het onderwijs in een vakgebied;
- een andere vorm van leren bv. werkplekleren, geïntegreerd leren
- nieuwe eindtermen of ontwikkelingsdoelen;
- het ICT-raamplan;
- de invoering van Se-n-Se ;
- bijkomende veiligheidseisen;
- de oprichting van een nieuw studiegebied;
- …
Kortom onze maatschappij verandert voortdurend en dat heeft gevolgen, ook voor leerplannen.
Een nieuw leerplan ontstaat niet in een handomdraai maar doorloopt een heel traject. In deze rubriek lichten we de belangrijkste fasen ervan toe.
De ontwerpfase
- Aan elk leerplan gaat visieontwikkeling vooraf. Visie gekoppeld aan een vak, studierichting of een studiegebied groeit langzaam door bespreking en reflectie in overlegorganen zoals o.m. de Dienst leren en onderwijzen, de coördinatiecommissies, de pedagogische commissie, de pedagogische werkgroep, werkgroepen van de studiegebiedverantwoordelijken, contactvergaderingen met directies… in het VVKSO
- De start voor de vertaling van visie naar een uitgewerkt leerplan begint met de aanstelling van de voorzitter en de samenstelling van de leerplancommissie.
- De toelichting en bespreking van de opdracht voor de leerplancommissie gebeurt op initiatief van de voorzitter in een vergadering met de voorzitter en allen die betrokken waren bij de visieontwikkeling.
De schrijffase
- Dit is een cruciale fase die gekenmerkt is door heel veel overleg en aandacht voor horizontale en verticale inhoudelijke samenhang. Horizontale afstemming is er bv. als bij een leerplan voor het specifieke gedeelte van een studierichting rekening gehouden wordt met de inhoudelijke input van de leerplancommissies van de basisvorming. Verticale afstemming van de leerlijn over jaren en graden heen is bv. belangrijk om de beginsituatie in een leerplan vast te leggen.
- Tijdens de schrijffase kan de leerplancommissie ook al de implementatie van het leerplan aankaarten. Afhankelijk van de graad van vernieuwing kan ze voorzien in een voorscholings- of nascholingsaanbod. Hierbij wordt ook het samensporen met de pedagogisch begeleiding ingecalculeerd.
De lees- en feedbackfase
- De kladversie van het leerplan wordt door pedagogisch begeleiders, leraren en de Dienst leren en onderwijzen nagelezen op leesbaarheid, haalbaarheid, aanwezigheid van de verplichte rubrieken en overeenstemming met de visie die tevens het uitgangspunt was. Wat de lectoren vaststellen, wordt als advies voorgelegd aan de leerplancommissie. Op basis van dit advies brengt de commissie aanpassingen aan in de voorliggende versie van het leerplan.
Leerplannen worden ontwikkeld door leerplancommissies. Die bestaan uit:
- een voorzitter (dit is een studiegebiedverantwoordelijke of een pedagogisch begeleider);
- leraren en/of TAC’s en/of TA’s , pedagogisch begeleiders;
- externe deskundigen (bv. vertegenwoordigers uit het basisonderwijs, uit de lerarenopleidingen, afgevaardigden uit de sectoren ...)
- De leden worden voorgedragen door de voorzitter en aangesteld in overleg met de hoofdbegeleiders uit de diocesen of congregaties en de Dienst leren en onderwijzen van het VVKSO.
Zo’n commissies zijn echte werkgroepen die een heus werktraject doorlopen. Dit heeft voor gevolg dat het aantal leden beperkt wordt gehouden. Enkel wie gedurende een bepaalde periode intensief kan meedenken en -werken (ook buiten de vergadermomenten van de commissie) komt in aanmerking.
Een leerplancommissie heeft een mandaat voor één bepaald leerplan. Het is mogelijk dat dit verlengd wordt voor het ontwikkelen van andere leerplannen, maar bij elke nieuwe start van een leerplancommissie wordt de samenstelling opnieuw bekeken.
Het werk van de leerplancommissies wordt op de voet gevolgd door de Dienst leren en onderwijzen van het VVKSO. Die ziet er ook op toe dat leerplannen ingebed zijn in het christelijke opvoedingsproject.
Bij het schrijven van een leerplan ziet de
Dienst leren en onderwijzen van het VVKSO erop toe dat er voldoende leraren deel uitmaken van een leerplancommissie. De aanwezigheid van leraren is immers een vorm van kwaliteitsbewaking. Leerplannen krijgen daardoor ook een groter draagvlak en een sterke afstemming op de praktijk.
Leraren kunnen op verschillende manieren en momenten een rol spelen bij de totstandkoming van een leerplan:
- Zo is in voorbereiding van de actualisatie van de leerplannen eerste graad A- en B-stroom in de scholen eerst gepeild naar de noodzakelijk geachte wijzigingen.
- Een leerplan kan soms een experimenteel karakter krijgen. De leerplancommissie kan hieruit belangrijke elementen meenemen bij de opmaak van het definitieve leerplan.
- Leraren kunnen ook vertegenwoordigd zijn in klankbordgroepen, wat opnieuw relevante informatie kan opbrengen voor de leerplancommissie.
- Een leerplan bevat een rubriek met het voorstel dat leraren op- of aanmerkingen kunnen bezorgen aan de Dienst leren en onderwijzen van het VVKSO. Leraren kunnen zich via deze weg ook kandidaat stellen om lid te worden van een leerplancommissie.
Zodra een leerplan door de leerplancommissie als afgewerkt wordt beschouwd, dient de voorzitter van de leerplancommissie het leerplan in bij de
Dienst leren en onderwijzen van het VVKSO. Die legt het ter advies voor aan de onderwijsinspectie.
Op het moment van indiening bij de onderwijsinspectie wordt het leerplan op de VVKSO-website als “ontwerp” gepubliceerd. Dit geeft leraren de mogelijkheid om het nieuwe leerplan al te verkennen. Pas als de Dienst leren en onderwijzen van het VVKSO de goedkeuring van de overheid ontvangt, zal op de website de ontwerpversie vervangen worden door de definitieve versie.
Met de onderwijsinspectie is de afspraak gemaakt dat een goedgekeurd oud leerplan van het VVKSO altijd wordt vervangen door een nieuw goedgekeurd leerplan van het VVKSO.
Deze vervanging kan echter op verschillende manieren gebeuren:
- Een leerplan dat wordt opgemaakt als graadleerplan zal bij de invoering in het eerste schooljaar starten in het eerste jaar van de graad. Het “oude” leerplan loopt in dat schooljaar nog voort in het tweede jaar van deze graad. Anders hebben leerlingen van het tweede jaar immers binnen één graad twee verschillende leerplannen gevolgd en dan blijft de leerlijn niet bewaard. Het daaropvolgende schooljaar zal de school zowel in het eerste als in het tweede jaar van de graad het nieuwe leerplan invoeren. Dit stapsgewijs invoeren van het leerplan noemen we progressieve invoering.
- Een leerplan kan ook tegelijk in de twee jaren van de graad starten. Dit is eerder uitzondering dan regel en kan alleen indien deze aanpassing geen verregaande gevolgen heeft naar leerinhoud, methode, doelstellingen enz. Deze wijze van invoering is verantwoord wanneer bv. nieuwe wetgeving over bepaalde veiligheidsaspecten een dringende aanpassing van het leerplan noodzakelijk maakt.
2 Inhoud van een leerplan
Verplichte rubrieken in het leerplan zijn:
- de beginsituatie;
- de doelstellingen met eventueel de leerinhouden;
- de minimale materiële vereisten.
We lichten bondig toe wat elke rubriek inhoudt.
In de
beginsituatie wordt de plaats van het leerplan in het geheel van de studierichting omschreven. Ze geeft aan waarop er verder gebouwd wordt en expliciteert de verwachte kennis, vaardigheden en attitudes van de leerlingen. Soms somt ze de leerinhouden op die in het basisonderwijs of in de voorgaande jaren behandeld zijn, maar waarop nog wordt teruggekomen (bv. verdiepend of door in een andere context te werken …). De samenhang met de daaropvolgende leerjaren of graden kan hier een plaats krijgen. Het
profiel van de leerling, naast de administratieve benaming(en) van de leerlingengroep voor wie het leerplan is bestemd, is een onderdeel van het luik beginsituatie. Het biedt leraren de kans om leerlingen die uit verschillende studierichtingen komen gemakkelijk te laten aansluiten bv. door in snelle en efficiënte remediëring te voorzien.
Vakgebonden eindtermen en ontwikkelingsdoelen zijn bij decreet vastgelegd. Waar eindtermen en ontwikkelingsdoelen dus bepaald zijn door de overheid zorgt de leerplancommissie ervoor dat de vakgebonden eindtermen of ontwikkelingsdoelen op herkenbare wijze opgenomen zijn in de doelstellingen van het leerplan. De school heeft dus de garantie dat ze bij realisatie van het leerplan ook de eindtermen bereikt of de ontwikkelingsdoelen nastreeft. Als de eindtermen niet bepaald zijn, legt de indiener zelf de onderwijskundige doelen vast en maakt hij hierbij bv. gebruik van
studierichtingsprofielen
In onze leerplannen komen twee soorten doelstellingen voor: algemene
doelstellingen en leerplandoelstellingen.
- Algemene doelstellingen geven weer wat het leerplan bij de leerlingen wil bereiken.
- Leerplandoelstellingen zijn veel specifieker dan algemene doelstellingen omdat ze zo duidelijk mogelijk aspecten van kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes integreren. Leerplandoelstellingen zijn aan leerinhouden gekoppeld maar niet altijd gelinkt aan een pedagogisch-didactische methode. Ze zijn echter beter interpreteerbaar als ze samen met de algemene doelstellingen gelezen worden.
Het luik
minimale materiële vereisten komt voor in het leerplan omdat het noodzakelijk is dat scholen over een gepaste infrastructuur, over didactisch materiaal, apparatuur en/of zware uitrusting beschikken om de leerplandoelstellingen te bereiken, de ontwikkelingsdoelen na te streven. Het is vanzelfsprekend dat voldoende aandacht gaat naar de wettelijke voorschriften inzake veiligheid, gezondheid en hygiëne.
Ook bedenkingen, aanwijzingen, verplichtingen, aanbevelingen… kunnen in deze rubriek opgenomen zijn.
Naast die rubrieken moet het leerplan aangeven welke ruimte gelaten wordt voor de inbreng van de scholen, de leraren en de lerarenteams.
Naast de verplichte rubrieken kan een leerplan andere rubrieken opnemen zoals:
Dat het
studierichtingsprofiel (SRP) een plaats heeft in het leerplan is waardevol voor iedereen die bij de school betrokken is. Voor directies en leraren is een studierichtingsprofiel bv. een hulpmiddel om de samenhang tussen vakken uit een studierichting na te streven. Voor de scholengemeenschappen, CLB, ouders/leerlingen is het een informatiebron bij de schoolloopbaanbegeleiding. Voor de leerplancommissie biedt het studierichtingsprofiel de mogelijkheid om de samenhang van leerplannen voor een studierichting te bewaken.
Het studierichtingsprofiel wordt uitgeschreven door de
pedagogische werkgroep en geeft weer waar het in een concrete studierichting om te doen is. Het bevat volgende elementen:
- de situering van de studierichting
- de verwachte beginsituatie of voorkennis nodig om de studierichting te kunnen starten;
- de competenties en de algemene doelstellingen die aan het einde van een studierichting of aan het einde van de graad mogelijk zijn gerealiseerd;
- de uitwegen op het einde van de studierichting.
In de rubriek
evaluatie gaat het niet om dwingende criteria, wel om suggesties gekoppeld aan de didactische eigenheid van het vak en geformuleerd in de vorm van didactische wenken.
De
bibliografie is een beperkte, geannoteerde lijst van boeken, tijdschriften, naslagwerken, video’s, cd’s, dvd’s, interessante links… bedoeld als hulp voor de leraar bij de lesvoorbereiding. Ook verwijzingen naar publicaties over goed vakmanschap (zoals veiligheid, gezondheid, milieu) komen soms voor in de bibliografische lijst.
Een bibliografie kan opgedeeld zijn in bronnen die rechtstreeks op het leerplan betrekking hebben en bronmateriaal dat interessant is als achtergrond. Je vindt echter geen lijst met schoolboeken noch
leermiddelen in de bibliografie.
De rubriek
pedagogisch-didactische wenken kan je zien als een inspiratiebron waaruit je kan putten om nieuwe of moeilijke delen van het leerplan op een verantwoorde manier aan te pakken. Het is zeker geen lijst met strikte richtlijnen maar hooguit een aanbod met suggesties voor differentiatie, een toelichting van aangepaste werkvormen, een mogelijke planning nl. hoeveel lestijden voor een leerstofgedeelte geschikt lijken, tips voor studielastbewaking enz.
De vakken van de basisvorming, afgekort met
‘B’ in de lessentabellen van het VVKSO, zijn vakken die aan elke leerling van een bepaald leerjaar dienen te worden onderwezen. Het is een beperkte lijst met vakken die bij
decreet zijn vastgelegd. De overheid vindt het namelijk opportuun om alle leerlingen een studiepakket met een aantal als onontbeerlijk beschouwde leervakken aan te bieden omdat leerlingen zodoende kennis, vaardigheden en attitudes verwerven die hen in staat stellen om hun persoonlijk leven uit te bouwen en om op een kritisch-creatieve wijze te functioneren in de samenleving.
Behalve voor godsdienst, zijn voor alle vakken van de basisvorming - ongeacht de onderwijsvorm – vakgebonden eindtermen geformuleerd tot en met de derde graad. Dit zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Voor het gewoon secundair onderwijs worden ze vastgelegd per graad en per onderwijsvorm.
Voor de basisvorming van het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad zijn er geen eindtermen maar ontwikkelingsdoelen geformuleerd. Het zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven.
De school moet voor elk vak uit de basisvorming kunnen aangeven welk leerplan gevolgd wordt. De inspectie zal immers bij een doorlichting nagaan of in de school het goedgekeurde leerplan wordt gerealiseerd. De subsidiëring en dus ook de erkenning, kortom de bestaansvoorwaarden van de school zijn daarvan afhankelijk.
De vakken uit het specifiek gedeelte worden afgekort met
‘S’ in de lessentabellen van het VVKSO.
In de
basisvorming vind je de vakken die gemeenschappelijk zijn voor alle opleidingen van dezelfde onderwijsvorm en van dezelfde graad.
Tussen studierichtingen van dezelfde onderwijsvorm wordt gedifferentieerd met behulp van het specifiek gedeelte. De onderwijsverstrekker vult dit gedeelte in vanuit het profiel van de studierichting. Aan de hand van specifieke eindtermen, ontwikkeld voor het specifieke gedeelte, worden vaardigheden, specifieke kennis, inzichten en attitudes gerealiseerd waarover een leerling moet beschikken om vervolgonderwijs aan te vatten.
Voor aso heeft de overheid voor de verschillende polen: Grieks, Latijn, wetenschappen, humane wetenschappen, wiskunde, economie, topsport, sport, moderne talen, specifieke eindtermen (SET) vastgelegd. Ook voor topsport tso is dat het geval. De specifieke eindtermen (SET) moeten bereikt zijn op het einde van de derde graad. De netten kwamen overeen om de doelen, die op het einde van de tweede graad aso best bereikt worden, vast te leggen. Dit zijn de zogenaamde cesuurdoelen. Die zijn opgenomen in de leerplannen voor wetenschappen, humane wetenschappen, economie, Latijn en Grieks.
Voor de overige studierichtingen is het de
leerplancommissie die, op basis van het
studierichtingsprofiel (SRP), via het leerplan aangeeft welke doelstellingen moeten worden gerealiseerd om de logische doorstroom over de graden, naar het hoger onderwijs of beroep te verzekeren.
De school moet voor elk vak uit het specifiek gedeelte kunnen aangeven welk leerplan gevolgd wordt. De inspectie zal immers bij een doorlichting nagaan of in de school het goedgekeurde leerplan wordt gerealiseerd. De subsidiëring en dus ook de erkenning, kortom de bestaansvoorwaarden van de school zijn daarvan afhankelijk.
Indien het een vak betreft dat ook voorkomt als vak uit de basisvorming wordt dit aangegeven in de lessentabellen van het VVKSO met
‘B+S’.
De vakken of specialiteiten uit het complementair gedeelte zijn afgekort met
‘C’ in de lessentabellen van het VVKSO.
De vakken van het complementair gedeelte kunnen een belangrijke aanvulling zijn van de
basisvorming en/of het
specifiek gedeelte. De vakken van het
specifieke gedeelte en eventueel het
complementair gedeelte bepalen het karakteristieke van de studierichting.
- Deze vakken of specialiteiten zijn door de school vrij in te vullen. Het VVKSO vermeldt in haar lessentabellen een aantal sterke aanbevelingen. Voor de vakken van het complementair gedeelte die door het VVKSO worden aanbevolen, zijn ook leerplannen ter beschikking. Dit omdat het voor een school niet altijd evident is om zelf een raamplan, jaarplan, leerplan of doelstellingen vast te leggen die bij de evaluatie/deliberatie kunnen meegenomen worden. Anderzijds zijn bepaalde vakken een bijna vanzelfsprekende aanvulling bij de studierichting/onderwijsvorm. Deze leerplannen dienen niet door de onderwijsinspectie te worden goedgekeurd (gezien deze vakken niet behoren tot de basisvorming of het specifiek gedeelte), maar het VVKSO vindt de doelstellingen die erin opgenomen zijn belangrijk voor de vorming van de leerlingen.
- Het aantal wekelijkse lesuren dat in een bepaalde studierichting beschikbaar is voor de vakken van het complementair gedeelte is het verschil van het aantal ingerichte lesuren en de som van de lesuren basisvorming en specifiek gedeelte.
- Het is mogelijk dat de school afwijkt van de VVKSO-aanbevelingen en een andere keuze van vakken of specialiteiten maakt, ze kan hiervoor kiezen uit de lijst van vakken, opgesomd in het Besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1989, zoals gewijzigd. Men dient rekening te houden met de subsidieerbaarheid van de leraar. In BBSO–website is telkens aangeduid in welke graad/graden het gekozen vak of specialiteit kan worden aangeboden. Indien in een bepaalde graad of onderwijsvorm bij geen enkel bekwaamheidsbewijs een salarisschaal vermeld is, kan het vak/specialiteit daar niet worden gesubsidieerd.
- Indien de school ervoor opteert de cursus bedrijfsbeheer in het complementair gedeelte te organiseren, mag het volgen van de cursus als facultatief worden beschouwd. Anders gezegd, geïnteresseerde leerlingen kunnen de cursus dan bovenop het standaard lessenrooster volgen (zonder dat daarbij het maximaal aantal wekelijkse lestijden overschreden wordt). Niet-geïnteresseerde leerlingen kunnen in dat geval uiteraard worden vrijgesteld, ongeacht het feit of ze al dan niet over een getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer of een beschikken.
Deze modaliteiten voor het invullen van de lessentabel en het gebruik van leerplannen gelden ook voor het keuzegedeelte in het
1ste leerjaar A en het 1ste leerjaar B.
3 Realisatie van het leerplan
Schoolteams hebben een scharnierfunctie in de verankering van leerplannen in de school en in de verantwoording erover naar externen.
In functie van het lerarenkorps zijn ze verantwoordelijk voor het gebruik van de juiste leerplannen. We willen hierbij beklemtonen dat de realisatie van de leerplandoelstellingen van het goedgekeurde leerplan de voorwaarde is voor de erkenning en de subsidiëring. Wie een VVKSO-leerplan gebruikt, komt tegemoet aan de regelgeving, zowel voor de vakgebonden eindtermen/ontwikkelingsdoelen als voor de specifieke eindtermen. De
Dienst leren en onderwijzen van het VVKSO informeert daarom geregeld over de stand van zaken van de actualisatie van leerplannen en een stand van zaken van nieuwe leerplannen. De leerplannen en lessentabellen kunnen permanent geraadpleegd worden op de website van het VVKSO.
Directies kunnen bovendien het eigen pedagogisch project vorm geven door poolversterkende of
studierichtingsversterkende keuzes te maken.
Als aandachtspunt bij vakgroepwerking kan het schoolteam leraren aanzetten om zowel
horizontaal als
verticaal afspraken te maken. Het bestuderen van het leerplan in de
vakgroep kan leiden tot beslissingen over hoe er in de school omgegaan wordt met
basis-, verdiepings- en uitbreidingsdoelstellingen
, met
pedagogische wenken en evaluatie. Door de vakgroep voorstellen te laten doen i.v.m. aankoop van leermiddelen en over materiële vereisten, over de organisatie van nascholing en/of vraaggestuurde begeleiding… wordt de betrokkenheid van de leerkrachten bij de uitwerking van het leerplan verhoogd. Vakgroepwerking kan structureel ingebouwd zijn op niveau van de school en/of in de scholengemeenschap en/of in
vakken geïntegreerd. Hoe de inbedding ook is, afspraken over implementatie van leerplannen zijn een teken van interne professionalisering van het korps of van schooloverstijgende netwerking. Beide passen in het kader van levenslang leren. Het directieteam van de school heeft hierbij niet enkel een aansturende maar ook appreciërende rol. Samenwerking en overleg werken namelijk motiverend en ondersteunend.
Indien de school de cultuur heeft waarbij leerplannen na overleg een vertaling krijgen naar de eigen schoolcontext dan is de stap naar het schrijven van een jaarplan niet veraf. Het jaarplan (LINK VVKSO, APR 5 hoofdstuk 4 p.4) is dan een door de leraren/vakgroep gedragen overzicht van de leerplandoelstellingen die oordeelkundig gespreid zijn over het hele schooljaar of binnen een graad. Bij de concrete uitwerking van een (nieuw) leerplan naar een jaarplan kan de directeur de ondersteuning van de pedagogische begeleiding inroepen. Voor opvolging van de door de inspectie vastgestelde tekorten in de realisatie van leerplannen kan hij eveneens een beroep doen op de pedagogisch vakbegeleider. Voor de implementatie van (nieuwe) leerplannen kan hij afspraken maken met leraren of de vakgroep over voor- of nascholing.
Een school is geen eiland maar is volledig ingebed in haar omgeving. Van scholen wordt dan ook verwacht dat ze een gevoeligheid voor externe omgevingsimpulsen aan de dag leggen. Een school die adequaat reageert op externe vragen en verwachtingen noemen we een
responsieve school
De directeur heeft daarbij een hoog responsief vermogen. Hij communiceert namelijk hoe en waarom aan externe verwachtingen over leren en onderwijzen in de school tegemoet wordt gekomen. Dit kan bv. door aan ouders te verantwoorden hoe leraren werken met leerplannen binnen de schooleigen cultuur rekening houdend met de decretale onderbouw van leerplandoelstellingen.
In de VVKSO -lessentabel (LINK NAAR 5) staat bij elk vak een bepaald aantal lestijden. Dat is het aantal wekelijkse lestijden dat volgens het VVKSO nodig is om de leerplandoelstellingen te bereiken. De verdeling van leerinhouden over verschillende vakken, elk met een welbepaald aantal wekelijkse lestijden, is het resultaat van intens overleg binnen de leerplancommissie,
de
Dienst leren en onderwijzen, en eventueel de
de coördinatiecommissies, de pedagogische begeleiding,
de pedagogische commissie,
pedagogische werkgroep, werkgroepen van de
studiegebiedverantwoordelijken,
contactvergaderingen met directies… in het VVKSO
Sommige scholen zullen op basis van het leerplan en de eigen leerlingenpopulatie beslissen om van het voorziene aantal lestijden af te wijken en extra lestijden te voorzien om de leerplandoelstellingen te bereiken of net tot de conclusie komen dat zij die leerplandoelstellingen in minder lestijden haalbaar achten. Die mogelijkheid bestaat. Wij raden scholen wel af om uren te besparen en ze vervolgens te besteden aan vakken die ‘vreemd’ zijn aan een bepaald structuuronderdeel. Dat komt de solidariteit tussen de scholen van het katholiek onderwijs niet ten goede en maakt het onderwijsaanbod minder overzichtelijk. De onderwijsinspectie zal dergelijke ‘eigen invulling van lessentabellen’ bovendien niet aanvaarden.
Leerplannen zijn voor alle leraren een basisinstrument bij de voorbereiding, planning en realisatie van de leerplandoelstellingen. Er zijn heel wat redenen om de studie van nieuwe leerplannen in de
vakgroepwerking op te nemen.
De kerntaak van een vakgroep is immers de optimalisatie van de manier waarop een lerarenteam de doelstellingen van een vak of vakdomein bereikt. De school is namelijk een kader waarin de vorming van jongeren aan bod komt. Een belangrijk deel daarvan is vastgelegd in de leerplannen. Een vakgroep kan verschillende aspecten bespreken die met leerplanwerk te maken hebben. Dit kan op heel verscheiden wijze gebeuren.
Naast
eindtermen en ontwikkelingsdoelen gekoppeld aan vakken, heeft de overheid ook vakoverschrijdende eindtermen / ontwikkelingsdoelen vastgelegd.
Vakoverschrijdende eindtermen (VOET) en ontwikkelingsdoelen (OD) zijn minimumdoelen die niet specifiek behoren tot een vakgebied, maar onder meer door middel van meerdere vakken of onderwijsprojecten worden nagestreefd. Elke school heeft een inspanningsverplichting voor de realisatie van de VOET/OD d.w.z. dat ze de maatschappelijke opdracht heeft om die bij de leerlingen na te streven. De school toont aan dat ze met een eigen planning aan de vakoverschrijdende eindtermen werkt.
Vanaf september 2010 werken scholen met de VOET tweede generatie. Dit is een nieuw concept in werking gebaseerd op een stam van sleutelcompetenties en contexten. Met uitzondering van ICT, leren leren, ICT in de eerste graad en technisch-technologische vorming (aso tweede en derde graad) zijn de eindtermen van de tweede generatie niet langer graadgebonden geformuleerd, maar voor het einde van het leerplichtonderwijs. Scholen hebben ten aanzien van deze eindtermen een inspanningsverplichting. Dat betekent dat ze die zoveel als mogelijk moeten nastreven bij hun leerlingen. Wat is dan de specifieke plaats van leren leren in het leerplan?
De vakoverschrijdende eindtermen leren leren houden meer in dan leren studeren. Leren leren is de kerntaak van het onderwijs en dus ook de belangrijkste component van de
basisvorming. Met deze eindtermen verwerven leerlingen bekwaamheid in een breed gamma van houdingen, inzichten en vaardigheden, die hen in staat stellen om doelgericht en efficiënt te leren, niet enkel op school, maar ook in wisselende contexten nu en in de toekomst. Er is bewust gekozen om de eindtermen leren leren graadgebonden te houden. Zo werd allereerst een veilige marge gecreëerd voor iedere leerling. Elke graad heeft immers een leerlingenpopulatie met leerkenmerken die sterk leeftijd- of ontwikkelingsgebonden zijn. De graadgebonden eindtermen respecteren die grenzen. Bovendien maakt de graadgebondenheid van de eindtermen leren leren een flexibele overstap van de ene school naar een andere mogelijk.
Leren leren is complex en omvat verschillende dimensies: opvattingen over leren, informatieverwerving en -verwerking, probleemoplossing, cognitieve en affectieve regulering van het leerproces, studie- en beroepsgerichte keuzebekwaamheid.
Deze eindtermen vormen een krachtige impuls om leerlingen met een persoonlijke
leerstijl
en eigen
leerstrategieën
te observeren en te oriënteren. Om dit doel te kunnen bereiken is het nodig om de eindtermen leren leren in elk vak na te streven en daarbij afspraken te maken met de collega’s over de vakken heen. Het is ook zinvol om de leerlijn tussen de leergebiedoverschrijdende eindtermen leren leren uit het basisonderwijs en vakoverschrijdende uit het secundair onderwijs te bewaken. Uiteraard neemt de leerplancommissie de visie over leren leren mee in de vorm van tips en suggesties in wenken. De didactische vertaling gebeurt echter in de concrete context van de school. Methodieken, werk- en evaluatievormen zijn niet de finaliteit van een leerplan maar worden door de leraar/vakgroep gekozen en gebruikt om beter te oriënteren.
De school moet voor elk vak uit de
basisvorming en/of het
specifiek gedeelte en eventueel het
complementaire gedeelte kunnen aangeven welk leerplan gevolgd wordt. De inspectie zal immers bij een doorlichting nagaan of in de school het goedgekeurde leerplan wordt gerealiseerd. De subsidiëring en de bestaansvoorwaarden van de school zijn daarvan afhankelijk.
In dit verband willen we erop wijzen dat de keuze van een leerboek de leraar niet ontslaat van de verplichting een goedgekeurd leerplan te gebruiken. Integendeel, waar een leerboek een hulpmiddel kan zijn (bijvoorbeeld voor beginnende leraren of omdat het inspirerende inhouden met verantwoorde werk- en evaluatievormen aanreikt), is het leerplan de enige waarborg om te voldoen aan de regelgeving van de overheid wiens taak het is om (specifieke)
eindtermen en ontwikkelingsdoelen te bewaken. Als de
vakgroep echter een keuze van leermiddelen maakt (bv. leerboeken of persoonlijk cursusmateriaal) is het belangrijk dat ze kritisch nagaat of alle leerplandoelstellingen ook werkelijk gerealiseerd worden. We doen hierbij geen uitspraak over de kwaliteit van leermiddelen. De
Dienst leren en onderwijzen van het VVKSO informeert uitgevers van leermiddelen op regelmatige basis over de achterliggende visie, de inhouden en de ontwikkelingen van nieuwe leerplannen. Verder dan het verstrekken van dergelijke informatie kan de verantwoordelijkheid van het VVKSO niet gaan.
Een leerplan biedt met
verplichte of
optionele rubrieken pedagogisch-didactische ondersteuning. We denken concreet aan: de beginsituatie, het studierichtingsprofiel, de wenken, evaluatie en bibliografie.
Leerplannen hebben namelijk als doel leraren op weg te zetten bij het kiezen van een pedagogische aanpak die hen helpt om de leerplandoelstellingen te realiseren. Omdat leerplandoelstellingen afgeleid zijn uit de algemene doelstellingen kunnen naast vakeigen didactische wenken ook meer algemene en vakkenintegrerende didactische wenken opgenomen zijn. Het is daarbij nooit de bedoeling om met een leerplan een bepaalde methode op te leggen of de didactische vrijheid van de leraar te beknotten. Wel wil het leerplan
leraren/vakgroepen op weg zetten om een pedagogisch-didactische keuze te maken die aansluit bij de klas- en schoolcontext.
Ons onderwijs streeft ook de vorming van de totale persoon na waarbij het
christelijk mensbeeld centraal staat. Waar mogelijk neemt het leerplan voorstellen op om het christelijk opvoedingsproject te realiseren in het vak.
Elke leraar heeft een leerplan van de vakken in zijn opdracht of hij weet dat hij dit kan raadplegen op de website van het VVKSO. Naast de leerplandoelstellingen bevatten de leerplannen interessante
didactische-pedagogische wenken die kunnen helpen bij het verwerken van de leerplandoelstellingen. In
vakgroepen kunnen de leerplannen voorwerp zijn van horizontaal en verticaal overleg. Ook vakoverschrijdend kunnen leerplannen gebruikt worden om leerplandoelstellingen te vergelijken en afspraken te maken.
Leermiddelen kunnen daarbij inspirerend en ondersteunend zijn. In elk geval zal er een omzetting moeten zijn van een leerplan naar een jaarplan.
Een jaarplan is een document waarin de leraar/de vakgroep de doelstellingen van het leerplan vertaalt naar de concrete toepassing in een bepaald schooljaar. Het biedt een overzicht van de leerplandoelstellingen, oordeelkundig gespreid over het schooljaar. Het wordt best in overleg met collega’s ontwikkeld; zeker als een leerplan een graadleerplan is of vrij open en niet sterk gedetailleerd. Dan vooral is een jaarplan nodig dat een gezamenlijk gedragen ontwerp van de vakgroep is .
Meer weten?
APR 5: Documenten bij de lesvoorbereiding (zie hoofdstuk 4 p.4)
Een
geïntegreerd leerplan
vraagt om een gezamenlijke realisatie van zowel theoretische benadering van een toepassingsgebied als praktische uitvoering ervan. Het geïntegreerd leerplan groepeert de leerplandoelstellingen en leerinhouden daarom zodanig dat leraren
TV en PV met opdrachten, thema’s en projecten kunnen werken. Leraren TV, PV samen met de technisch adviseur(s) hebben dan best regelmatig overleg om doelstellingen en inhouden goed te plannen en te spreiden.
Voor leerlingen is geïntegreerd werken een krachtige vorm van leren, een “just-in-time-leren” waarbij de leraar leerdoelgericht werkvormen inzet.
Aangepaste evaluatie sluit hier naadloos bij aan want een andere manier van lesgeven houdt automatisch ook een andere manier van evalueren in. Evalueren zien we dan als een permanente activiteit die aan de hand van concrete vaststellingen door de leraar, de lerarengroep en door de leerling zelf gegevens aanreikt over het leren. Mogelijkheden, beperkingen en vorderingen in het leren worden duidelijk.
Remediëring, bijsturing, verdieping of een passende (her)oriëntering zijn mogelijk. Het is belangrijk dat deze vorm van leren opgenomen wordt in de schoolvisie over leren (Zie APR 1, hoofdstuk 7) en dat via het schoolreglement ouders hiervan op de hoogte gebracht worden.
Proces- en productevaluatie
zijn belangrijk bij geïntegreerd werken. Bij procesevaluatie analyseren we het leerproces dat de leerling doormaakt. Dit kan met gespreide evaluatie. Hiermee bedoelen we het geregeld plannen van toetsmomenten. Procesevaluatie kan ook door te observeren hoe de leerling zijn leren aanpakt, hoe hij te werk gaat om tot een bepaalde prestatie te komen op basis van objectiveerbare criteria. Feedback (Zie APR 1, hoofdstuk 6.1) van leraar naar leerlingen levert bruikbare info op over zijn/haar mogelijkheden, beperkingen en vorderingen in het leren. Bij productevaluatie stelt men vast in welke mate de doelstellingen bereikt zijn. Lerarenteams die geïntegreerd werken controleren in welke mate de leerling nieuwe competenties verworven heeft en of hij die op een adequate manier kan gebruiken. Remediëring, bijsturing, verdieping of een passende (her)oriëntering zijn dan een mogelijk vervolg.
Evaluatie en de manier waarop we voorbereiden op deze evaluatie moeten nauw op elkaar aansluiten. Binnen de evaluatie bekennen we vaak kleur over wat we echt belangrijk vinden dat leerlingen moeten kennen en over welke vaardigheden en attitudes ze moeten beschikken op het einde van de rit. Het is bijzonder belangrijk de werkvormen bij opdrachten, thema’s en projecten zodanig te kiezen dat de zaken die we echt belangrijk vinden en die we willen evalueren ook tot ontwikkeling kunnen komen tijdens het onderwijsaanbod. Evalueren is dan ook een continu gebeuren; een voortdurende beweging waarin vallen en opstaan toegelaten zijn.
Meer weten?
APR 5: Documenten bij de lesvoorbereiding en
APR 1: Het persoonlijk werk van de leerling
4 Leerplan en deliberatie
Op het einde van het schooljaar buigt de delibererende klassenraad zich over de vraag of de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd. Dat is het geval als de leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en dus bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in het volgende leerjaar (in een eindleerjaar: als hij voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het leerjaar). Of een leerling een leerjaar met vrucht beëindigt, hangt dus in hoofdzaak af van de kansen die hij volgens de delibererende klassenraad heeft om in het volgende leerjaar te slagen (al dan niet in dezelfde studierichting).
Bij de deliberatie kijkt men of de leerling de leerplandoelstellingen in voldoende mate heeft bereikt. De delibererende klassenraad gaat dus niet na of hij al dan niet de eindtermen heeft behaald. Eindtermen zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingengroep. Leerplannen houden uiteraard rekening met de eindtermen, maar gaan verder en zijn ook toepasbaar op de individuele leerling.
Meer weten?
APR 3: De delibererende klassenraad op het einde van het schooljaar
Voor elk vak maken leraren, afspraken over de manier waarop ze omgaan met
basis-, verdiepings- en uitbreidingsdoelstellingen
, bv. in de
vakgroep
Door gebruik te maken van uitbreidings- of verdiepingsdoelstellingen kan een leraar binnen dezelfde klassengroep inspelen op verschillen tussen leerlingen. Dat gebeurt echter steeds binnen één en hetzelfde leerplan.
In de nieuwe leerplannen heeft het VVKSO differentiatie ingebouwd met het oog op een goede oriëntering van leerlingen. Door te werken met verschillende beheersingsniveaus heeft de klassenraad op het einde van het schooljaar een beter zicht op de leerplandoelstellingen die de leerling behaald heeft. Dat heeft echter gevolgen voor de deliberatie: wanneer een leerling voor een vak een tekort heeft dat bijna uitsluitend te wijten is aan tekorten voor verdiepings-/uitbreidingsdoelstellingen, kan men natuurlijk moeilijk concluderen dat hij de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft bereikt. Die tekorten zullen uiteraard wél een belangrijk gegeven zijn voor het advies, bv. voor de vervolgstudies. Daarom is een goede verhouding tussen basis en verdieping/uitbreiding van groot belang. Bij een redelijke verhouding tussen die twee zal een tekort bijna zeker mee bepaald worden door tekorten in de basisleerstof.
Als een delibererende klassenraad een uitspraak doet over het al dan niet slagen van het leerjaar, is het vooral van belang dat hij oog heeft voor het globale dossier en het samenspel van de verschillende vakken.
Meer weten?
APR 3: De delibererende klassenraad op het einde van het schooljaar
Scholen kunnen op basis van de pedagogische vrijheid en met het oog op
vakkenintegratie beslissen om verschillende “vakken” tot één geheel te clusteren of – omgekeerd – voor het opsplitsen van een “vakleerplan” (één cluster) in verschillende onderdelen. Beide keuzes zijn mogelijk zolang ze in de lijn van het leerplan liggen.
De klassenraad moet op voorhand wel inschatten hoe hij die keuze een plaats geeft bij de deliberatie op het einde van het schooljaar. Het is vooral belangrijk dat hij bij de deliberatie steeds rekening houdt met het globale dossier en bij de beslissing een consensus nastreeft. Binnen dat kader beslist de school zelf of ze bij de deliberatie bepaalde onderdelen van een cluster als aparte vakken beschouwt, dan wel of ze de punten samentelt tot één vak. Wat men ook beslist, de werkwijze moet ertoe bijdragen dat de klassenraad een correcte inschatting kan maken bij het beantwoorden van de deliberatievraag.
Voor de leerling en zijn ouders moet van bij de start van het schooljaar duidelijk zijn welke gevolgen het clusteren of opsplitsen heeft voor o.a. toetsen, proefwerken, quotering.
Meer weten?
APR 3: De delibererende klassenraad op het einde van het schooljaar
5 VVKSO-lessentabellen
Voor elke studierichting stelt het VVKSO een modellessentabel voor met het oog op een optimale realisatie van de leerplannen.
De lessentabellen bevatten vijf kolommen (vier voor de eerste graad):
- De kolom ’Leerplannummer’
Deze kolom vermeldt het (verkorte) nummer van de leerplanbrochure naast de pedagogische vakbenaming. Indien geen nummer is vermeld, geldt het nummer van het vak erboven.
Voor leerplannen uitgegeven tot 2007 staat het nummer 2007/066 voor D/2000/0279/034 (leerplannen uitgegeven door Licap); voor leerplannen uitgegeven vanaf 2008 staat het nummer 2008/003 voor D/2008/7841/003 (leerplannen uitgegeven door VVKSO)
- De kolom ’B/S/C’ (niet in lessentabellen eerste graad)
Deze kolom geeft aan of het vak behoort tot de basisvorming, het specifiek gedeelte van de studierichting of het complementair gedeelte:
- B is een vak van de basisvorming,
- S is een vak van het specifiek gedeelte van de studierichting
- B+S is een vak van de basisvorming aangevuld met (een deel van) de doelstellingen van het specifiek gedeelte van de studierichting.
- C is een vak dat door het VVKSO sterk wordt aanbevolen als vak van het complementair gedeelte.
- De kolom ’pedagogische vakbenaming’
Deze kolom vermeldt de benaming die wordt gebruikt in de communicatie naar leerlingen en ouders.
Voor de algemene vakken (AV) is dit meestal dezelfde naam als de administratieve vakbenaming. Voor de kunstvakken (KV), de praktische (PV) en de technische vakken (TV) is meestal een benaming gekozen die beter past bij de inhoud van het vak dan de administratieve vakbenaming(en).
- De kolom ’UREN/WEEK’
- Deze kolom vermeldt per vak het aantal te voorziene wekelijkse lesuren nodig voor de optimale realisatie van het leerplan (twee kolommen: 1ste en 2de leerjaar). Een school kan bovenop dit minimum meer uren voorzien.
- Het ‘minimum B+S’ bovenaan deze kolom is de som van de wekelijks te voorziene lesuren voor de vakken van de basisvorming en het specifiek gedeelte.
- Het maximum aantal wekelijkse lesuren is vastgelegd in het Koninklijk Besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 (zoals gewijzigd) tot vaststelling van het maximum aantal lesuren per week in het voltijds secundair onderwijs (Inhaallessen zijn lessen die facultatief kunnen worden georganiseerd met het oog op een bijkomende gedifferentieerde benadering van de leerling. Deze uren zijn niet begrepen in het bij KB vastgelegd maximum aantal wekelijkse lesuren dat de studies mag bedragen.)
- Soms worden twee getallen in een vork vermeld (bv. 4-6). Het betreft een suggestie van het VVKSO om voor dit vak, bovenop het eerst vermelde getal (het minimum), nog één of meer bijkomende wekelijkse lesuren te voorzien. Deze lesuren kunnen worden besteed als ondersteuning van de realisatie van de basisdoelstellingen of aan de realisatie van zoveel mogelijk verdiepings- of uitbreidingsdoelstellingen
- Een ‘/’ staat voor ‘of’ om aan te geven dat bij de invulling van het aantal uren voor bepaalde vakken keuzemogelijkheden voor vaste combinaties mogelijk zijn. Men dient in deze gevallen een combinatie van vakken en uren te nemen zodat het totale aantal uren/week exact wordt bereikt. Een voorbeeld hiervan uit de lessentabellen voor de 3de graad bso (men opteert voor Maatschappelijke vorming en Nederlands of voor Project algemene vakken zodat men in totaal aan 4 uur komt):
| | Maatschappelijke vorming | 0/2 | 0/2 |
| | Nederlands | 0/2 | 0/2 |
| | Project algemene vakken | 4/0 | 4/0 |
- De kolom ’administratieve vakbenaming’
Deze kolom verwijst naar de classificatie van het vak en wordt gebruikt in de administratie in verband met de opdracht van de betrokken leraar.
- Het Besluit van de Vlaamse Regering "tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de praktische vakken..." van 5 juni 1989, zoals gewijzigd, legt de benamingen vast van de algemene vakken (AV) en van de specialiteiten waartoe de kunstvakken (KV), de praktische vakken (PV) en de technische vakken (TV) behoren. Bij Besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989, zoals gewijzigd, betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, werden de bekwaamheidsbewijzen voor de verschillende vakken vastgelegd.
- Vaak worden verschillende vakken/specialiteiten naast elkaar vermeld, gescheiden door een schuine streep. De betekenis hiervan is de volgende: de school moet een keuze maken en de vakken/specialiteiten toevertrouwen aan een leraar met een bekwaamheidsbewijs voor een van de vermelde vakken/specialiteiten. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld indien het om meerdere uren gaat, kan een opsplitsing gemaakt worden. Dat betekent dat twee of meer leraren met een verschillend bekwaamheidsbewijs elk een gedeelte kunnen geven. Voorbeeld:
Realisaties TV Mechanica/Elektromechanica/Centrale verwarming
‘/' laat verschillende mogelijkheden open. Realisaties kan hier toegewezen worden aan een leraar met een bekwaamheidsbewijs van een van de drie vermelde specialiteiten (hetzij Mechanica, hetzij Elektromechanica, hetzij Centrale verwarming). Het globale pakket wekelijkse lesuren Realisaties kan ook verdeeld worden over verschillende leraren met het passende bekwaamheidsbewijs.
- Soms worden de specialiteiten in deze kolom gescheiden door een ‘+‘. De betekenis hiervan is dat het (pedagogische) vak wordt gegeven door een team van leraren waarbinnen de verschillende specialiteiten vertegenwoordigd zijn. Voorbeeld:
- Vrije beeldende kunst KV Vrije beeldende vorming + KV Kunstinitiatie + KV Waarnemingstekenen
- Voor de indeling KV, PV, TV en stage gelden volgende afspraken:
KV Specialiteit: kunstvak
PV Specialiteit: praktisch vak met praktijkdoelstellingen: handvaardigheid, praktijk, praktische oefeningen, realisatietechnieken
TV Specialiteit: technisch vak met eerder ‘theoretische’ doelstellingen
PV + TV Specialiteit: praktijk en theorie geïntegreerd
Stage Specialiteit: stagedoelstellingen
PV + Stage Specialiteit: praktijk- en stagedoelstellingen geïntegreerd (minimum aantal uren stage verplicht)
PV (+ Stage) Specialiteit: praktijk- en mogelijke stagedoelstellingen geïntegreerd (stage niet verplicht)
PV + TV + Stage Specialiteit: praktijk en theorie en stagedoelstellingen geïntegreerd (minimum aantal uren stage verplicht)
PV + TV (+ Stage) Specialiteit: praktijk en theorie en mogelijke stagedoelstellingen geïntegreerd (stage niet verplicht)
Voor Stage biedt het leerplan de keuze tussen TV en PV, respectievelijk KV en PV. Eenmaal de school de keuze heeft gemaakt, ligt die voor minimaal twee schooljaren vast voor het betrokken leerjaar in die studierichting.
Het
maximum aantal wekelijkse lestijden is vastgelegd in het Koninklijk Besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 (zoals gewijzigd) tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs.
Inhaallessen zijn lessen die facultatief kunnen worden georganiseerd met het oog op een bijkomende gedifferentieerde benadering van de leerling. Deze uren zijn niet begrepen in het wettelijk en bij decreet omschreven maximum aantal wekelijkse lestijden dat de studies mag bedragen.