Het nieuwe concept van de vakoverschrijdende eindtermen toegelicht
Definitie en inspanningsverplichting
Eindtermen zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes voor die leerlingenpopulatie bedoeld.
In Vlaanderen wordt een onderscheid gemaakt tussen vakgebonden en vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen. De vakgebonden eindtermen zijn verwerkt in de leerplannen. De vakoverschrijdende zijn – zoals hun naam zegt – niet te vatten in een bepaald vak. Zij vormen het cement tussen de vakgebonden eindtermen en garanderen dat jongeren ook kennis maken met essentiële aspecten die niet onmiddellijk in een vak te vatten zijn.
Decretaal onderscheidt men vakoverschrijdende eindtermen voor de A – stroom en vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen voor de B – stroom. De vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen van de tweede generatie, die in dit servicedocument aan de orde zijn, zijn echter volledig identiek aan de vakoverschrijdende eindtermen, zowel in formulering als in behandelingsverplichting. Om die reden spreken wij verder in deze tekst enkel van vakoverschrijdende eindtermen.
De school heeft een inspanningsverplichting om de vakoverschrijdende eindtermen na te streven, geen resultaatsverplichting. Concreet betekent dat dat “de school zich optimaal inspant opdat zoveel mogelijk leerlingen zouden …” , in tegenstelling tot de vakgebonden eindtermen, waarvoor wel een resultaatsverplichting geldt (“de leerling, leraar heeft een resultaatsverplichting om de vakgebonden eindtermen te bereiken”).
De vakoverschrijdende eindtermen van de eerste generatie
Vanaf 1997 zijn geleidelijk de vakoverschrijdende eindtermen van de eerste generatie decretaal ingevoerd. Het betreft gezondheidseducatie, leren leren, milieu – educatie, opvoeden tot burgerzin, sociale vaardigheden, muzisch – creatieve vorming, technisch – technologische vorming (enkel ASO tweede en derde graad) en ICT (eerste graad). De vakoverschrijdende eindtermen van de eerste generatie vervallen op 31 augustus 2010.
Een actualisering drong zich op
Sinds 1997 heeft de samenleving een evolutie ondergaan. Bovendien waren de vakoverschrijdende eindtermen van de eerste generatie niet overal even helder geformuleerd en waren ze voor scholen niet steeds bereikbaar. De overheid gaf daarop in haar beleidsnota 2004 – 2009 de opdracht om de vakoverschrijdende eindtermen te herzien.
Ze stelde zich tot doel om
- het totale aantal vakoverschrijdende eindtermen te reduceren met blijvende garantie op een brede basisvorming;
- de vakoverschrijdende eindtermen haalbaar te maken voor de leraren;
- ze helder en eenduidig te formuleren;
- ze inhoudelijk te actualiseren en
- een relatie met de vakgebonden eindtermen goed mogelijk te maken.
Bij de actualisering van de vakoverschrijdende eindtermen steunde de overheid op een aantal referentiegegevens:
- de vakoverschrijdende eindtermen van de eerste generatie
- het wetenschappelijk onderzoek dat peilde naar de relevantie en de haalbaarheid van de eerste generatie van vakoverschrijdende eindtermen ( OBPWO 2006 / 06.01) ;
- het onderzoek van professor Anne Bamford en de bevindingen daarin in verband met muzisch – creatieve vorming (Anne Bamford, Kunst- en cultuureducatie in Vlaanderen, september 2007);
- feedback uit scholen, onder meer via de stuurgroep vakoverschrijdende eindtermen in de schoot van de Entiteit Curriculum.
De vakoverschrijdende eindtermen van de tweede generatie
Bij de herziening van de vakoverschrijdende eindtermen is men uitgegaan van de volgende uitgangsvraag: “Welke minimumcapaciteiten heeft een burger in Vlaanderen nodig om kritisch – creatief te functioneren in de samenleving en voor de uitbouw van een persoonlijk leven?”
Die uitgangsvraag verwijst dus zowel naar de persoonlijke ontwikkeling van de jongere als naar zijn functioneren in de samenleving. Die dubbele verwijzing is terug te vinden in het concept van de vakoverschrijdende eindtermen van de tweede generatie.
Een nieuw ordeningskader vervangt de thematische beschrijving van de eindtermen
De ‘klassieke’ thema’s (gezondheidseducatie, milieueducatie, opvoeden tot burgerzin, sociale vaardigheden en muzisch-creatieve vorming) worden vervangen door een nieuw ordeningskader. In dit kader worden zeven contexten gecombineerd met een gemeenschappelijke stam en met leren leren. Het ordeningskader onderscheidt stam en contexten (C in afbeelding).
De stam geeft een aantal sleutelvaardigheden voor een basisvorming, los van elke context. Zij zijn toepasbaar in alle opvoedings- en onderwijsactiviteiten.
De inhouden vindt men terug in de zeven contexten. Zij bevatten vakoverschrijdende eindtermen geclusterd in inhoudelijke gehelen:
- De eerste drie contexten hebben te maken met de lichamelijke, de mentale en de sociorelationele gezondheid. Daarmee vallen ze samen met de brede definitie van gezondheidsbeleid, zoals gedefinieerd door de Wereldgezondheidsorganisatie . Ze verwijzen dus naar de persoonlijke ontwikkeling van de jongere (zie boven, uitgangsvraag).
- De laatste drie contexten hebben te maken met de politiek – juridische, de socio – economische en de socioculturele samenleving. Die verwijzen dus naar het functioneren van de jongere in de samenleving, die multicultureel en democratisch is.
- De vierde context gaat over omgeving en duurzame ontwikkeling. Hij vormt de verbinding tussen de persoonlijke ontwikkeling en het functioneren in de samenleving en introduceert een systeemdenken dat rekening houdt met onze planeet, met ons welzijn en met onze welvaart. Deze context streeft ernaar onze natuur en middelen te borgen voor de toekomst en komt dus dichtbij onze idee van rentmeesterschap.
In samenhang lezen
De scholen krijgen de opdracht en de kans om de eindtermen van de stam en die van de contexten in samenhang te lezen en zelf zinvolle gehelen te maken. Op die manier krijgen de sleutelvaardigheden ook inhoud en wel op een manier die nauw aansluit bij het project van de school, wat de herkenbaarheid van en de betrokkenheid bij de vakoverschrijdende eindtermen alleen maar kan vergroten.
Dat lezen in samenhang hoeft geenszins beperkt te worden tot stam en contexten. Ook leren leren, vakgebonden eindtermen, … komen in aanmerking. Het werken aan vakoverschrijdende eindtermen wordt zo ingebed in het schoolbeleid.
De andere vakoverschrijdende eindtermen
Bij het concipiëren van de vakoverschrijdende eindtermen van de tweede generatie heeft men ervoor gekozen om drie thema’s van de vakoverschrijdende eindtermen van de eerste generatie – graadgebonden - te behouden:
- Bij leren leren heeft men formuleringen bijgestuurd, maar analoog aan het concept van de vakoverschrijdende eindtermen van de eerste generatie, dus graadgebonden. De formulering van deze eindtermen is bijgestuurd. Ze zijn meer gebruiksvriendelijk en toegankelijk gemaakt. Bovendien is hun aantal gereduceerd van 51 tot 48.
- De eindtermen ICT (eerste graad) zijn nog recent en blijven ongewijzigd.
- De eindtermen technisch – technologische vorming (tweede en derde graad ASO) blijven ongewijzigd wegens de aansluiting bij de eindtermen techniek.
Ook bij al deze vakoverschrijdende eindtermen geldt dat ze in samenhang met de rest kunnen gelezen worden. Dat geldt in het bijzonder voor de kerntaak van scholen: leren leren, waarop elders dieper ingegaan wordt.
Het is dus belangrijk voor scholen om bij hun werking rond de vakoverschrijdende eindtermen van de tweede generatie de hier vermelde eindtermen niet te vergeten.
De relatie tussen de vakoverschrijdende eindtermen van de tweede en die van de eerste generatie
De vakoverschrijdende eindtermen van de tweede generatie hebben zeker een overlap met die van de eerste generatie. Ze verwerpen die dus niet. Wel zijn ze anders geconcipieerd en hebben ze een aantal nieuwe accenten. Het belangrijkste verschil is zeker de verplichting om in samenhang te lezen.
Nieuwe accenten zijn:
- Europa;
- preventieve (!) promotie van gezondheid en welzijn in ruime zin;
- socio – economische basisinzichten en sociale cohesie;
- duurzame ontwikkeling en systeemdenken;
- zelfredzaamheid en zorgzaamheid;
- herinneringseducatie;
- cultuuropvoeding, mediawijsheid en esthetische bekwaamheid (de vroegere vakoverschrijdende eindtermen muzisch – creatieve vorming zijn opgegaan in het nieuwe concept)
- justititie.
Wat is er veranderd?
De vakoverschrijdende eindtermen van de tweede generatie
- leggen nieuwe accenten, zijn actueel en toekomstgericht;
- bieden een essentiële, relevante en haalbare selectie zonder onderlinge overlap;
- bieden een sterke reductie van de vakoverschrijdende eindtermen (van 171 naar 96 vakoverschrijdende eindtermen in stam en contexten, van 52 naar 48 eindtermen in leren leren);
- hanteren een transparante formulering met consequente keuze van werkwoorden ;
- bieden een totaalpakket voor alle leerjaren, ze zijn dus niet langer graadgebonden met uitzondering van leren leren, ICT in de eerste graad en technisch technologische vorming in de tweede en derde graad ASO)
De inspanningsverplichting blijft overeind
De school heeft dus een grote vrijheid, mits ze zich aan volgende spelregels houdt:
- in elke graad in elke school wordt een redelijke inspanning geleverd t.a.v. het geheel van de eindtermen;
- de inspanning per graad staat in billijke verhouding tot de tijd die leerlingen in het secundair onderwijs doorbrengen;
- er is communicatie van en tussen scholen over keuzes die gemaakt worden;
- het principe van de opeenvolging geldt: de volgende graad bouwt verder op de vorige.