Hoe komen tot een schoolvisie?
Het is belangrijk dat scholen de eindtermen plaatsen in een ontwikkelingsperspectief. Scholen die beleidsmatig en participatief werken kunnen zich daarover ook verantwoorden. Verantwoorden op zich kan geen doel zijn.
Het is belangrijk als school eerst na te denken over een visie, over wat men wil bereiken. Pas als men daarop zicht heeft, kan men zinvol zoeken naar hoe men dat het best kan realiseren.
Meer vragen over WAT en HOE ?
Begripsverheldering
Onze scholen schrijven in het eigen opvoedingsproject hun missie en visie uit in de geest van de Opdrachtsverklaring van het Katholiek Onderwijs: “De katholieke school is een onderwijs- en opvoedingsgemeenschap met duidelijke doelstellingen die zij omschrijft in een christelijk-gelovig opvoedings- of vormingsproject. Deze doelstellingen worden geconcretiseerd in een reglement voor haar personeelsleden en in een schoolreglement voor haar leerlingen en/of studenten. In een schoolwerkplan worden die doelstellingen regelmatig geactualiseerd.” Het geloof in het positieve en sociale van de mens staat centraal. Het is evident dat de school vanuit die positieve geest eerlijk en met verantwoordelijkheidszin haar beleid uitzet en verantwoordt.
Sommige congregaties, schoolbesturen, … hebben binnen die opdrachtsverklaring een eigen opvoedingsconcept uitgewerkt. In dat geval houdt het opvoedingsproject van de individuele school daarmee vanzelfsprekend rekening.
Het is een vaststelling dat het opvoedingsproject wat taal en stijl betreft in nogal wat scholen weinig hedendaags en dus de facto niet meer inspirerend is. Wil het opnieuw van betekenis zijn dan is een grondige opfrisbeurt aan de orde. Op diverse niveaus wordt momenteel gewerkt aan een aanpak om schoolteams tot een denkproces aan te zetten dat kan leiden tot een “gedragen” opvoedingsproject met oog voor traditie en maatschappelijke evoluties. Het is volstrekt zinloos scholen te bewegen om de visie op de nieuwe vakoverschrijdende eindtermen te schragen op een niet gedragen opvoedingsproject.
In onze opvoedingsprojecten wordt zelden onderscheid gemaakt tussen missie en visie. Om het pedagogisch project op de helderheid van zijn boodschappen te toetsen, is het goed te omschrijven waar deze begrippen op slaan. Volgende definities en bijhorende vragen kunnen helpen om enige ordening aan te brengen:
Missie: Een beknopte en krachtige omschrijving van de kernopdracht van een organisatie. Wil een missie motiverend zijn dan is ze helder, inspirerend, sturend en uitnodigend.
Mogelijke vragen: Wie zijn we, wat zijn onze waarden – waar geloven we in, waar staan we voor?
Visie: verwijst naar het gewenste langetermijnperspectief (doelen en ambities) van de school (de mogelijke en gewenste toekomst (mag ambitieus tot utopisch getint zijn)
Mogelijke vragen: Hoe zien wij onszelf in de wereld van morgen? Waar gaan we voor?
Strategie:
Mogelijke vragen: hoe kunnen wij onze doelstellingen waar maken, welke acties moeten we ondernemen?
De context van een school
In een visiedocument rond pedagogisch project en pastoraal schrijft het VSKO: “School zijn” is de eerste taak waaraan christenen op school meewerken. Het “school zijn” is samen te vatten in de volgende functies: de onderwijsfunctie (leren kennen en kunnen), de opvoedingsfunctie (leren mens worden) en de thuisfunctie (leren groeien doorheen allerlei ervaringen; de school als centrum van leven). Binnen dit kader verwoorden onze scholen in hun opvoedingsprojecten hun missie en visie. Het opvoedingsproject is de inspiratiebron die de onderwijsactiviteit aanstuurt, het vertelt de school en haar omgeving waar ze mee bezig is.
Met het invoeren van de vakoverschrijdende eindtermen heeft de wetgever een parallellopende betrachting: door de scholen een inspanningsverplichting op te leggen, bouwt hij de zekerheid in dat alle Vlaamse scholen zich daadwerkelijk met een aantal kerntaken bezig houden. De vraag waarop de geactualiseerde vakoverschrijdende eindtermen een antwoord willen formuleren, is: “Welke capaciteiten heeft een burger in Vlaanderen minimaal nodig om actief aan de samenleving te kunnen participeren en om een persoonlijk leven uit te bouwen?” Centraal staat hier dus de ontwikkeling van de persoon in een multiculturele en democratische samenleving. Dit wordt geconcretiseerd in 7 toepassingsgebieden of ‘inhoudelijke contexten’. Deze inhoudelijke contexten zijn verbonden met een aantal essentiële vaardigheden of sleutelvaardigheden (de ‘gemeenschappelijke stam’) die toepasbaar zijn in alle pedagogische activiteiten van de school. Deze na te streven sleutelvaardigheden zijn geen nieuwe uitvinding, ze zijn inherent aan alle opvoedingswerk. Samen met de vakoverschrijdende eindtermen ‘leren leren’ vormen de ‘gemeenschappelijke stam’ en de ‘inhoudelijke gehelen’ een ordeningskader dat het voor de school mogelijk moet maken om een overzicht te behouden.
Het pedagogisch project en de vakoverschrijdende eindtermen staan in geen geval haaks op elkaar, integendeel ze geven blijk van grote gemeenschappelijkheid in hun streven. Alleen kan je zeggen dat je je makkelijker voor iets inzet vanuit een diepe overtuiging en inspiratie dan omdat het je wettelijk opgelegd wordt. Daarom staat voor ons het opvoedingsproject centraal. Het is dus voor ons belangrijk om doorheen de realisatie van ons project in één beweging tegemoet te komen aan de inspanningsverplichting t.a.v. de vakoverschrijdende eindtermen.
Het nieuwe decreet biedt ons daartoe mogelijkheden. De vakoverschrijdende eindtermen zijn niet langer graadgebonden. Dat betekent dat scholen meer ruimte krijgen om eigen keuzes te maken op basis van het schooleigen opvoedingsproject.
De vakoverschrijdende eindtermen zijn doordrongen van een visie op de mens en zijn toekomst, op de samenleving en de wereld. Werken rond de vakoverschrijdende eindtermen biedt de school de gelegenheid om haar vakoverschrijdende werking opnieuw te verankeren in de realisering van haar opvoedingsproject en ervoor te zorgen dat die werking gedragen wordt door het hele schoolteam. De school moet daarbij gericht zijn op de samenleving, maar mag de samenleving niet nahollen. De school biedt in eerste instantie een ruimte voor reflectie over de mens en de samenleving. Ze creëert ook wat afstand tegenover de maatschappij met haar ‘waan van de dag’. Een goede implementatie van de vakoverschrijdende eindtermen daagt ons uit om een duurzame pedagogie te ontwikkelen.
De verankering van de vakoverschrijdende werking in het opvoedingsproject
- Opvoedingsproject: Wat is onze missie? Welke visie hebben we? Welke accenten legt ons opvoedingsproject – welke doelen streven wij na – wat willen we na twee/vier/zes/zeven jaar secundair onderwijs gerealiseerd zien voor/bij onze leerlingen?
- Historisch actief: Welke beleidsbeslissingen hebben wij in het verleden genomen/welke acties hebben we ondernomen om aan het opvoedingsproject gestalte te geven/om de school te zijn die we willen zijn?
- De acties die we oplijsten zijn makkelijk te linken aan de accenten binnen ons opvoedingsproject.
- De acties die we oplijsten zijn niet makkelijk te linken aan de accenten binnen ons opvoedingsproject:
- of er dringt zich een actualisering van het OP zich op
- of onze strategieën om het opvoedingsproject te realiseren zijn slecht gekozen
- Schrijf een visie op VOET die uitgaat van de accenten die je aantreft in het OP.
- Je start bij de missie en de visie die in het OP terug te vinden zijn.
- Sluit daar de strategieën op aan die je gebruikt/denkt nodig te hebben om het opvoedingsproject in de praktijk gestalte te geven.
- Probeer mogelijke “groei”-lijnen te definiëren die deze accenten extra benadrukken; je zal merken dat je meteen automatisch klemtonen legt binnen de thema’s/contexten die aan bod komen in de VOET.
- Denk na over hoe je de contexten/vakoverschrijdende eindtermen die binnen het opvoedingsproject niet direct in de focus staan, aan bod zult laten komen.
- Plan de mogelijke acties in binnen een zesjarenplan (dit mag een werkdocument zijn – je hebt zes jaar de tijd om bij een generatie leerlingen de VOET aan te brengen)
Meer inspirerende vragen ?