De volgende matrix is een hulpmiddel om een voldoende brede en diepe werking op te zetten.
Wanneer het schoolteam acties (‘Acties’ in de brede betekenis van het woord: projecten, lesoverstijgende of lesgebonden activiteiten...) uitwerkt, is het belangrijk na te gaan of de acties gericht zijn op verschillende niveaus. Er zijn activiteiten of projecten nodig die zich richten op het niveau van de individuele leerlingen, de klas, de hele school en haar omgeving.
De acties en projecten werken ook best volgens diverse strategieën.
Een project kan educatief aangepakt worden: individuele leerlingen, de klassen, de hele schoolbevolking of wie met de school te maken heeft zal dan iets ‘leren’ (kennis, nieuwe attitude aanleren en inoefenen) in verband met het behandelde thema.
Wanneer tegelijkertijd in de klas, de school en de omgeving structurele of organisatorische aanpassingen gebeuren, krijgt het project nog meer kans op slagen.
Vaak is het nodig om concrete afspraken te maken (tijdelijke of permanente).
Een school kan dit instrument op elk moment van het beleid gebruiken: de matrix laat toe om een analyse te maken van bestaande activiteiten en/of projecten, of om leemten in het beleid op te sporen. Het is een schoolspecifiek instrument dat voortdurend kan meegroeien naarmate het beleid van de school meer vorm krijgt.
De matrix stelt dus vier werkingsniveaus en drie strategieën voor die aangeven hoe de school een kwaliteitsvol VOETbeleid kan voeren.
|
Niveau
Strategie |
Individuele leerling |
Klas |
School |
Omgeving |
| Educatie |
|
|
|
|
| Structurele maatregelen |
|
|
|
|
| Afspraken |
|
|
|
|
De school beslist zelf welke acties/projecten/aanpassingen ze opneemt, en houdt hierbij zoveel mogelijk rekening met haar specifieke noden. Een wit vakje in de matrix kan dus zowel betekenen dat het beleid hier een lacune vertoont, of dat het ontbrekende niveau / de ontbrekende strategie niet relevant is voor deze school.
Meer inspirerende referentiekaders
Vakoverschrijdende eindtermen bij leerlingen bevorderen veronderstelt veel meer dan eenmalige en kortdurende acties. Acties en interventies worden vanzelfsprekend aangepast aan hun doelpubliek.
Leerlingen komen best in de loop van hun schoolloopbaan diverse keren in contact met bepaalde contexten en subthema’s. In een billijke verhouding spreiden over alle graden is dus essentieel. Daarbij is het vanzelfsprekend dat dit telkens op een aangepaste manier gebeurt, naargelang de leeftijd en de context.
Wanneer een school een planning opzet op langere termijn en haar interventies opbouwt naarmate de leerlingen meer vaardigheden verwerven, integreert ze deze thema’s in de schoolloopbaan van haar leerlingen. Ze stelt leerlijnen op. Op die manier wordt de VOETwerking nog beter verankerd.
Inspirerende vragen
Inventariseren (in de betekenis van afzonderlijke eindtermen aanvinken op overzichtslijstjes) is niet geschikt als eerste stap bij de implementatie van de vakoverschrijdende eindtermen van de tweede generatie. Door dat te doen krijgt men geen samenhang. Het kan hoogstens een werkvorm zijn om in de loop van het implementatieproces na te gaan of men geen belangrijke zaken vergeet (dus in het kader van interne kwaliteitscontrole).
Bij de vakoverschrijdende eindtermen van de eerste generatie behoorde inventariseren als eerste stap wel tot de mogelijkheden (men moest de termen immers niet in samenhang lezen) en een aantal scholen heeft dat ook gedaan. Meermaals stond het inventariseren in functie van het verantwoorden.
Ook bij die eerste generatie eindtermen beschouwden sommige scholen het werk ten onrechte als ‘af’ na de inventarisatie (inventariseren als doel), terwijl het echte werk toen eigenlijk nog moest beginnen (inventariseren als middel).